Ruby.
Ruby.

En het zwaard viel. Op 28 januari 2015. Mozart kreeg iedere keer bloedingen en dan was ze helemaal van de wereld. Ze kon alleen maar liggen, niet opstaan en lijden. Drie keer zou de dierenarts naar het vakantiehuis komen waar we verbleven om euthanasie te verrichten. Twee keer belden we hem weer af omdat Mozart ineens opsprong en te kennen gaf dat haar tijd er toch nog niet opzat. Maar de derde keer, ja, toen kon het niet anders meer. Het was een moeilijke beslissing. Wat we meemaakten, is te prive, dat schrijf ik hier niet op. We hadden erg veel verdriet. Het was een enorm gemis.

Niet veel later kwam Ruby in ons leven, ook een witte herder. Zij is geboren op 5 januari 2015 en kwam bij ons op 7 maart 2015. Het kan niet anders dan dat Mozart dat vanuit de Hoge zo geregeld had. Een vrolijke pup, om ons leed te verzachten en om te laten zien dat het leven doorgaat. Zij had het inmiddels heel goed in de hondenhemel, dat liet ze af en toe wel even weten.

Hoe dieren je leven kunnen verrijken! Vooral als je ze in huis haalt en dagelijks met ze samenleeft.

Ze noemen mij Mozart deel 4

_MG_5157Zwaard van Damocles

Ja, ik ben er nog. Terwijl de vooruitzichten een paar weken terug niet best waren. Ik voelde me al niet zo goed het afgelopen jaar. Emmy had dat wel door en ging met mij naar ‘de dokter’. O jee, denk ik dan. Wat nu weer. Die dokter zei dat ik zo hijgde omdat ik HD-problemen heb, dat is iets aan mijn rug. En ze gaven een pijnstiller waar ik flink van onder zeil ging. Emmy vond dat maar niets en toog met mij naar ‘een dokter’ in Den Haag die ‘aan acupunctuur doet’. Ik had geen idee. Maar al gauw wel. Wat een ellende, al die naaldjes in je lijf en dan zo een tijdlang blijven staan op zo’n behandelbank. Met een kruiden- en homeopathisch middel erbij kon ik er weer tegenaan, begreep ik. Ik werd wel weer soepeler, dat klopt. Maar toch voelde ik me niet echt fijn.

Vlak voordat Baas, Emmy en ik op vakantie gingen naar Drenthe, moest ik raar hoesten en kwam er allemaal bloed uit mij, en dat heel vaak. En later ben ik nog een keer door mijn poten gezakt en kon ik niet meer lopen. Dat vond ik heel erg, want lopen is het leukste wat er is, na ‘balletje gooien’. Je begrijpt dat er toen weer naar ‘de dokter’ gegaan moest worden. Graag ga ik nu even snel door deze dokter-passages heen, want ik ben best heel braaf en ook wel stoer maar dit vond ik allemaal heel eng en ik werd er vreselijk zenuwachtig van, en dan ook nog bij verschillende dierenartsen: röntgenfoto’s, spuiten (zowel iets er in als iets eruit halen) en scans, waarbij ik de laatste keer een half uur op mijn rug moest liggen terwijl er hard met een raar ding over mijn buik geragd werd. Toen de dokter met de diagnose kwam en ik de gezichten van Baas en Emmy zag, wist ik dat het foute boel was. Die marteldokter (die van die langdurige scan, ja) sprak zelfs over ‘euthanasie op korte termijn’. Ik wist niet wat dat was. Daar kwam ik echter snel achter. Emmy heeft mij zoveel woorden geleerd, dat ze niets meer voor mij kunnen verbergen. Ik hoor alles. Daarom gaan Baas en Emmy wel eens fluisteren, op de gang bij voorbeeld. Daar word ik dan weer een beetje ongerust van.

Omdat er zoveel gehuild werd en ik de woorden ‘nooit meer Mozart’ had gehoord,  en ‘Zwaard van Damocles’ dacht ik: oké, mijn einde is gekomen. Wel lullig, want ik ben nog maar acht, maar wat is, dat is zo. Ik denk daar verder niet over door, want ik ben geen mens. Mensen maken zich gek door al dat denken over verleden en toekomst, maar voor mij is er alleen maar nu.

Ik verkeer in de gelukkige toestand dat Baas en Emmy juist nu heel veel aandacht aan mij kunnen besteden. En zo gaat het best nog wel aardig met mij, al zeg ik het zelf. Drie keer merkte ik dat ze dachten dat ik het loodje ging leggen. Maar ze zijn er nu eindelijk achter dat ze me moeten afremmen. Ik kan het namelijk niet laten in het bos toch weer een boomstammetje (klein formaat tegenwoordig, dat wel) te gaan torsen. In mij zit een werkhond, zo is dat. En ik heb dan geen rem. Dat heb ik wel een beetje van Emmy. Zo baas, zo hond. Maar goed, nu word ik tegen mijn eigen geestdrift beschermd. Ik speel als een oude hond met mijn balletje, beetje de neus ertegen aan, meer niet. Ik pak tijdens de wandeling zo’n lullig takje en doe daar dan toch vrolijk mee, om Baas en Emmy te plezieren en ik laat me vertroetelen bij het leven. Daar maak ik wel een beetje misbruik van , want ik veins telkens een enorme honger dus krijg ik veel tussendoortjes. Ook mag ik nu ongestoord bedelen. Best een goed leven. Zo houd ik het nog wel even uit. En als het zwaard van die Damocles valt, nou ja, dan valt ‘ie. Toch?

Zij noemen me Mozart deel 3

IMG_1608Voedertijd

Vandaag wil ik het met jullie hebben over de kwestie van het eten. Dat ze in de beginjaren diverse soorten voer op mij uitgeprobeerd hebben, daar spreek ik niet meer over. Het is nu Canadees en biologisch en vis en vlees wat er in mijn bak ligt. Ik vind het goed, de smaak bevalt me.

Nee, ik wil het vooral hebben over het ritueel rondom het eten en niet te vergeten: de plek waar het voer is bedacht. Dat wisselde nogal eens.
In de keuken verhuisden de zakken drie keer van plek.  Vervolgens werd er een klein groen Chinees kastje aangeschaft waar de voederzak in geplaatst werd. Met dat kastje werd gesjouwd van her naar der. Ik was vooral gehecht aan de metalen sluiting: een schuifje dat twee deurtjes bijeen houdt. Daar kon ik zo fijn mijn neus tegenaan gooien. Dat geluid trok altijd de aandacht. Was het eerst een beetje lullig dat ik mij niet verbaal kan uitdrukken, met de sluiting van het kastje had ik een mooi alternatief gevonden: ‘Honger! Komt er nog wat van?’ of, na het eten: ‘Ik zou best nog wat lusten!’
Dat ging lekker zo, al die jaren.

Helaas, op een zomerse dag, nu zo’n vier jaar geleden, werd er iets afgeleverd dat mij angst aanjoeg: groot en met afbeeldingen van soortgenoten erop. Dat kreeg een plaats in de cv-kast, naast de voordeur. Emmy stelde me gerust: ‘Dit is je nieuwe voercontainer’ kirde ze.
‘Nou, m’n reet’, dacht ik, ‘daar ga ik echt niet van eten.’
Toen Baas thuiskwam, stortte hij deze container vol met brokjes. Toen moest ik mee, naar die enge kast. Het was de meest verre plek ooit, waar mijn voer vandaan gehaald moest worden. Ik stribbelde tegen maar wilde niet met een lege maag gaan slapen.
Daar stond ik dan. Emmy opende de klep, schepte er met een groen bakje brokken uit, deed dat in mijn voederbak en commandeerde: ‘Doe maar dicht’, daarbij nadrukkelijk wijzend op de openstaande klep. Dit deed ze drie keer voor. Voor mij is dat genoeg. Voorzichtig gaf ik de klep een kopstootje. Gelukt.
‘Goed zo!’ riep Emmy. Als beloning kreeg ik alvast een brokje.
Het ritueel van ‘wie gaat er mooi zit en af op haar plaats (mijn mand, ja)?’ en wachten totdat ik een teken krijg om naar mijn voederbak te mogen lopen, dat kende ik natuurlijk allemaal al. Het diner wordt pas opgediend als ik aan de IMG_1606voorwaarden voldoe.

Door al dat gesodemieter en gesjouw met kastjes en manden is het eten er niet minder lekker op geworden. Nee hoor, dat niet. Wat mij wel enige tijd verwarde waren de te overbruggen afstanden. Mand, voer en bak lagen eerst op knusse afstand van elkaar. Ik schat het nu op zo’n 11 meter container-mand en 6 meter mand-voerderbak. Dat is dus zo’n 17 meter van bak naar container. Dat is nogal een uitdaging die mij werd opgedrongen!
Godzijdank lijkt er nu geen verandering meer in de situatie te komen. Ik huppel iedere ochtend én iedere avond vrolijk mee. Al naar gelang mijn stemming sluit ik de klep behoedzaam, ongeduldig of woest (erge honger). Dat geeft bijna zo’n fijn geluid als de sluiting van het groene Chinese kastje!

Ze noemen mij Mozart deel 2

De baas is Baas.
Ik heb een hoog IQ en EQ.

Ademritme

Ik heb het maar eens anders dan anders gedaan dit weekend.
Meestal houd ik gepaste afstand als ze in de ochtend hun yoga- en ademoefeningen doen. Al die bewegingen van de ledematen, nou ja, dat kende ik wel van Emmy. Maar wat ze met die ademhaling doen, snel en langzaam en dan van die neusgeluiden, daar schrok ik eerst wel van. Toen ik echter merkte dat er niets verontrustends uit voortkwam, ontspande ik. En sinds ik doorheb dat zij er van ontspannen raken, sta ik er vierkant achter. Zij ontspannen, ik ontspannen, zo werkt dat.
Zaterdag wilde ik het eens over een andere boeg gooien. Ik ging bij de baas liggen. Die zat op zo’n keihard laag kussentje op de grond. Voor mijn kop was geen ruimte meer. Die kwam dus op de heup van de baas terecht. Ze deden deze ochtend alleen de adem. Want ze zijn niet altijd consequent. Zo maakte ik het proces eens van dichtbij mee. Mijn kop ging heen en weer op het ademritme. En ook al horen de ogen dicht, Emmy keek stiekem naar me, ik zag het. Ze barstte in lachen uit en daarna de baas. Ik dacht: dat wordt niets meer met die ademtraining. Maar ze pakten het gewoon weer op. Zo getraind zijn ze al. Ik ben trots op ze.

Maar ik had beloofd dat ik van mijn grote avontuur in een nieuwe omgeving zou vertellen.
Ik loop op de zaken vooruit maar het is handig te weten dat zij voor mij Baas en Emmy zijn. Wilke is Baas en Emmy is Emmy. Gek genoeg wordt bij de communicatie met honden doorgaans de man de baas genoemd en de vrouw het vrouwtje. Daar wilde Emmy helemaal vanaf, zo begreep ik al als pup. Als iemand bijvoorbeeld zei: ‘Ga maar naar het vrouwtje’, wees ze dat resoluut van de hand. Ze keek me dan aan en zei: ‘Neee! Ik ben Emmy.’
Goed. Ik werd dus meegenomen en zat in de auto bij Emmy op schoot. Ik begon te piepen want ik vond het een beetje eng. Wat gingen we doen? Waarom gingen mijn broertjes en zusjes niet mee? Waar was mijn moeder? Ik piepte een tijdje. Maar al snel had ik door dat dit geen enkele zin had. De weg ging recht vooruit en niet meer terug. Het komt goed uit dat ik van karakter snel in zaken kan berusten. Dat deed ik dan ook. Niet direct bij alles hoor. Zo bleek bij thuiskomst dat er een kooi stond. Daar werd ik `s avonds ingezet. Waarom in godsnaam? Ik deed niets bijzonders ’s nachts. Daar kwamen Baas en Emmy ook snel achter. ‘Ze is intelligent’, zei Baas de tweede dag. ‘Ze weet nu al dat ze buiten moet plassen en poepen.’ ‘Ja’, zei Emmy, terwijl ze me vertederd gadesloeg. ‘En ze heeft helemaal niet de neiging om iets stuk te maken.’
En ze hadden gelijk. Ik heb een hoog IQ en een nog hoger EQ. Maar wat dit inhoudt, dat komt wel een andere keer. Evenals die naam van mij. Daar valt ook nog wel iets over te zeggen.

Ze noemen mij Mozart deel 1

Productiemateriaal
Productiemateriaal

Vereeuwigd in een kleedje?

Weet je wat ze nu doet? Ze verzamelt mijn haar in zo’n blauwe diepvrieszak. Waarom diepvries, geen idee. Maar dat zakje zit bijna vol. Logisch, want ik verhaar als een gek. In een scheet en een zucht maak ik echter weer nieuwe haren aan. Nee, om een vacht zit ik nooit verlegen.
Wat ze in het zakje doet zijn niet de haren die overal in huis over de vloer verspreid liggen. Ze gebruikt het haar dat ze uit mijn vacht borstelt. Tezamen met de pakketjes die ze van mij afplukt. De losse plukjes haar trek je er makkelijk uit. Ik lijd er dus niet onder.  Anders laat ik dat heus wel merken. Wat dacht je dan.
Ik hoorde haar tegen iemand zeggen: “Ik ga er een vilten kleedje van maken. Ik wil zo graag eens vilten. Wat is er leuker dan dat te doen met het haar van Mozart?”
Tja, wat er zou leuker zijn. Ik kan mij daar niets bij voorstellen, maar ik zie het wel.

Nou val ik nogal met de deur in huis, met dat haar van mij. Misschien moet ik mij eerst maar eens voorstellen.
Ik werd op een zomerse junidag in 2006 geboren in het Drentse land, in de kennel van Erijane. Ik had een chique moeder, een robuuste vader en tien broertjes en zusjes.
Op een dag kwamen er een man en vrouw. De vrouw keek blij nerveus naar ons terwijl wij ons extra uitsloofden. Ik weet nog dat ik me liet vallen in de waterbak. Ik ging toen al een beetje over mijn grenzen. Logisch dus dat ik Emmy als bazin trof. Emmy en ik lijken een beetje op elkaar. Maar daarover later meer.
De man bleek Wilke te heten. Ze keken lang en vertederd naar mij en mijn familie. Ik vond ze wel grappig.
Ze wilden een meisje. Laat ik nou een meisje zijn. Toen ik, samen met nog een paar uit ons nest los op het gras mocht, leek het me dan ook een goed idee mijzelf direct voor te stellen. Ik weet nog hoe ik – een beetje waggelend – recht op hen afliep.
“Deze vind ik echt iets voor jullie,” zei Janet. Zij was onze opperbaas.
“Het is geen hondje voor een druk gezin. Haar moet je ook geen grote mond geven, daar is ze te fijngevoelig voor.”
Die Janet! Wat had ze mij mooi getypeerd. Ik slaakte een zuchtje van verlichting toen ze voor mij kozen. Het was gelukt!

Volgende week vertel ik jullie van mijn grote avontuur in een nieuwe omgeving.