Strakke kabouters 14 en slot

‘Als ’t puntje bij paaltje komt, doet dit alles mij de das om.’

Krijg de vinkentering
‘Manner in mijn kabouterhol? Nou nog gekker,’ reageerde Rook op het voorstel van zijn kinderen.

‘Vind ik geen goed idee’, vond Manner terwijl hij zijn das steviger omknoopte. ‘Je hebt me al een keer bijna de hersens ingeslagen, wat krijg ik volgende keer naar me toe geslingerd? Het echtelijke bed? En nu we het daar toch over hebben, waar ga ik dan slapen? Gezellig met z’n drietjes in jullie nest?’
‘Ja! Ja!’ juichten Tullie en Jeppe. ‘Manner in de bedstee!’
‘Ik heb nu al zin om met een stoel op je kop in te beuken,’ brieste Rook.
Kee stond er passief bij. Haar daadkracht leek verdwenen.

‘Ach kereltjes, jullie kunnen niet delen. Daar heb je een hoog ontwikkeld kabouterbewustzijn voor nodig. Dat is bij jullie in geen velden of wegen te bekennen.’
‘Kop dicht, Alice,’ beet Rook me toe. ‘En rot nou ’s op. Wat doe je hier toch zo lang? Zelfs Kee neemt het niet meer voor je op.’ Een vilein lachje begeleidde zijn woorden.
‘Nou nou Rook, rustig aan,’ suste Kee. ‘Alice heeft mij nieuwe inzichten gegeven en daar blijf ik bij,’ zei ze slapjes.

‘Als mijn moeder mij vroeger voorlas over kabouters, zag ik figuurtjes voor me, die me vertederden,’ siste ik, dicht bij  Rook zijn afzichtelijk gevormde oor. Daarop gaf hij me een duw waardoor ik op de paddenstoel gesmeten werd.
‘Krijg toch de vinkentering, halve zool!’ krijste ik.
De winter trad in. Tijd om te gaan.  Ik kende mezelf niet terug, met dat schreeuwen en zo. Mijn zonnige natuur stond hier te veel in de schaduw.
‘Briljant idee, het Kabouterbos verlaten’, kondigde ik aan. ‘Maar laten we goed uit elkaar gaan, daar hecht ik aan.’

Bij deze laatste woorden knipoogde ik wulps naar Manner en hurkte ik neer bij de kindjes en omhelsde ze. Daarna trok ik me op aan de paddenstoel, lijnde Wolf aan en liep weg. Ik keek nog eenmaal om. Er werd héél strak naar mij gezwaaid.

 

Strakke Kabouters 13

Ik ben Tullie en ik wil twee papa’s!

Orde op zaken  

Die Rook begon me de keel uit te hangen. ‘Het is buiten proporties, zoals jij bezig bent, vlijmscherpe punt!’ schreeuwde ik boven zijn schelle piepstem uit.
‘Vlijmscherpe punt?’ Van verbazing liet hij de stok vallen.
‘Ja, zo noem ik jou. Omdat je zo’n eng vinnig strak kaboutertje bent,’ beet ik hem toe.

‘Nou nou, Alice, ga je nu niet een beetje te ver?’ vroeg Kee mij.
‘Te ver? Hoe bedoel je? Jij stoeit met Manner omdat je zo’n leuke vent hebt, zeker.’
Jeppe en Tullie verplaatsten hun strakke kabouterarmpjes ineens van Wolfs nek naar die van Rook. ‘Papa, papa, kom naar huis!’ smeekten ze.

Krijg nou het lazarus, dacht ik bij mezelf. Een kabouter kan net zo snel omslaan als een mens. Wat lijken we toch allemaal op elkaar! Maar wie kwam daar strak maar in verende pas aangesneld?
‘Manner! Jij ook hier? Komt goed uit, je ben nu toch ook een beetje familie geworden. Er moet hier nodig orde op zaken gesteld worden,’ nam ik het heft in handen.

Kee keek ongemakkelijk van Rook naar Manner. Manner keek ongemakkelijk van Kee naar Rook. De kindjes keken angstig van Rook naar Manner en van Manner naar Kee en van Kee weer naar Rook. En ineens richtten ze hun blik op mij, allemaal tegelijk.
‘Het komt allemaal door Alice. Door haar invloed ben je zo vrijpostig geworden.’ De vlijmscherpe punt zong weliswaar een toontje lager maar hij stootte deze woorden toch maar mooi uit dat rotkeeltje van hem.
‘Ik zie het al, Kee. Je kiest voor Rook,’ zei Manner schor.
‘Maar hij is de vader van mijn kinderen’, verontschuldigde Kee zich.

‘Pappie! Mammie! Oom Manner moet ook bij ons komen wonen!’ riepen Jeppe en Tullie.

 

 

Strakke kabouters 11

Reflexen in orde

‘Rook sloeg met een pook,’ antwoordde Kee op de vraag van Harmelijn.
Ik vond dat wel komisch klinken, maar de dokter gromde ernstig: ‘Dat is niet best, Kee. Dat is níet best.’
‘Nee Harm, dat weet ik ook wel. Maar daar hebben we nu niets aan. Is hij te redden?’

Harm? Stond Kee met dokter Harmelijn ook al op een dergelijke goede voet? Het leek er wel op, want de dokter antwoordde: ‘Z’n hart klopt goed, z’n reflexen zijn ook in orde. Dus Keetje van me, wees gerust, liefje. Zo, even die wond verzorgen, pom-pom-pom, klaar is kees. Zeg Kee, zie jij nog een snee? Ik niet.’
Hij lachte en gaf haar een liefkozend stompje.

Wauw, wat een arts, dacht ik. Ervaren, doortastend, kundig. Maar niet aantrekkelijk. Gaf niets. Kee had Manner al. Die deed net zijn ogen open.

‘Keetje, ik voel me beter. Ga je mee naar mijn huis?’  Maar Harmelijn vond dat Manner het beste een uurtje kon blijven liggen. En dan langzaam opstaan.
‘Je hoort wat de dokter zegt, Man. Ik ga samen met Alice naar de kinderen. Ik kom je straks ophalen.’

Kee, Wolf en ik namen eerst polshoogte bij Kee thuis. Waar was Rook? Niet in het kabouterhol. Dan maar eerst de kindjes halen. Na een klop op de deur deed buurvrouw Popske open. Ze zag er vermoeid uit. Verward streek ze een lange, grijze haarlok uit haar gezicht.
‘Waar zijn mijn kinderen?’ vroeg Kee, die het vreemd vond dat die niet naar buiten kwamen rennen.
‘Kee, Alice,’ zei Popske met hese stem. ‘Ik heb gevochten. Met Rook.’
‘U ook al?’ vroeg ik.
‘Ja.  Maar hij nam ze toch mee.’

Strakke kabouters 10

Harmelijn

Daar stond hij, de scherpe punt zonder muts. Niet bepaald een beauty. Wat had Kee ooit in hem gezien? ‘Niet zo dom lullen, Rook’, kon ik niet laten te zeggen. ‘Alsof Kee niet zelf vrouws genoeg is haar eigen weg te gaan.’

‘Help me eens, Alice,’ klonk Kee bezorgd. ‘Manner is gewond. Rook heeft ‘m geslagen met de kachelpook.’ Aan het gekreun dat Manner uitstootte, kon ik opmaken dat Rook ‘m godzijdank niet had doodgeslagen. Ik inspecteerde de wond aan zijn arm. Die was niet mis.

Wolf hield Rook nog steeds stevig vast. ‘Los. Hier!’ Hij gehoorzaamde onmiddellijk. Kee en ik legden Manner op Wolfs’ rug en begeleidden het tweetal de trap op naar boven. ‘En nu als de wiedeweerga naar Harmelijn, de dokter,’ gebood Kee.

‘Harmelijn. Guh! Ook zo’n eikel,’ hoorden we Rook brommen vanuit het hol.

Kee en ik schonken er geen aandacht aan. We probeerden Wolf bij te houden, die er stevig de vaart in had gezet. Manner deed af en toe zijn ogen open. ‘Liefje’ kermde hij dan. ‘Liefje..’

‘Daar woont hij!’ riep Kee. Ik zag een kleine terp met daarin een deur en twee raampjes. Plus een schoorsteen. ‘Halt Wolf.’ Na een klop op de deur deed de dokter open. ‘Alice’ stelde ik me aan hem voor. Harmelijn groette me, gaf me een hand en bekeek de situatie. ‘Och och och, wat  is er met hem gebeurd? Leg hem maar snel binnen, op de behandeltafel.’

 

 

 

.’

 

 

 

 

 

 

Strakke kabouters 9

Koud hoofd
De kabouterkindjes renden naar me toe. Ze toonden me een bemodderde kaboutermuts. ‘Die is van papa!’
Dat hoefden ze me niet te vertellen, ik zag het aan de vlijmscherpe punt.

‘Nou jongens, dan heeft jullie vader nu een koud hoofd. Eigen schuld… ik bedoel: Hij kan maar beter snel naar huis gaan en bij de kachel gaan zitten.’

Ik besefte nu pas wat ik zei.

‘Geef me alle twee een hand, we gaan een spelletje doen. Wie het hardst kan rennen maar dan met z’n drieën tegelijk.’ En zo spurtte ik naar het kabouterhol. De voetjes van de kabouterkindjes raakten het bospad niet meer. Ze wapperden als blaadjes achter me aan.

Wolf was er eerder dan wij. Hij keek in het hol en begon luid te blaffen. Dat waren geen liefdesuitingen meer, die ik daar beneden hoorde.

‘Vuile teringschoft dat je er bent!’ hoorde ik Rook roepen.

‘Hebben jullie buren?’ vroeg ik de kindertjes.

‘Buurvrouw Popske’, antwoordde de oudste. ‘Ze woont daar..’’ en ze wees naar een beukenboom.

‘Ga ’s kijken of ze er is en vraag dan of jullie een poosje bij haar mogen blijven.’ Ik schoof ze met zachte hand alvast die richting uit.

‘Mogen wij die ruzie tussen papa en Manner niet meemaken dan?’ vroegen ze. ‘Dat vinden we juist zo spannend.’

‘Donderstenen’, zei ik en gaf ze een liefdevol tikje. ‘Ik vertel jullie straks wel een spannend verhaal. En dan krijg je ook taart, met stukjes appel en paddenstoel erin.’

Ze dropen af, op weg naar buurvrouw Popske.

Ondertussen waren de vloeken in heftigheid toegenomen. Teringschoft was nog heilig vergeleken bij wat ik nu hoorde.

‘Ga, Wolf, ga!’ gaf ik hem de opdracht en hij stoof het trapje af. Ik volgde hem en greep per ongeluk iemand bij de baard. Het was Rook, met Wolf aan zijn broek. ‘Jij hier ook alweer met die klotehond van je?’ beet hij me toe. ‘Stomme mensenteef! Met jou is het allemaal begonnen. Jij hebt Kee op foute ideeën gebracht. Die heeft ze in het afgelopen jaar op grandioze wijze kunnen ontwikkelen.’

Strakke kabouters 8

Oom M.

Geïnteresseerd volgde ik de begroeting tussen Kee en Manner. Dat hadden ze eerder gedaan, maar dan inniger.
‘Alice ziet en weet alles, Manner’, fluisterde Kee. ‘Je hoeft je niet in te houden.’
Daarop trok Manner Kee diep in zijn wollige baard.

‘Oom M.! Oom M.!’ riepen de kindertjes, die uit hun speelhoekje kwamen gekropen en zich bij het  paar voegden.
Oom M.? Ik keek naar Kee.

‘Ja Alice, ik weet het, het klinkt een beetje ranzig maar ze zijn ‘m zelf zo gaan noemen. Ik wil daar geen scherp punt  van maken,’ zei ze gevat. ‘Tijd om jullie aan elkaar voor te stellen. Manner, dit is Alice, waarover ik je zo veel heb verteld.’
Een warme knuist omsloot mijn tere hand. ‘Wat een kolenschoppen voor een kabouter!’ kon ik niet laten te zeggen.
‘Daar kan hij hele leuke dingen mee doen,’ reageerde Kee, die  in opperbeste stemming verkeerde.
‘Zal ik de kindjes  even mee naar buiten nemen?’ bood ik aan.

In het bos, met aan iedere hand en kabouterkindje, haalde ik diep adem. Tussen Wolfs bek balanceerde een dikke tak. Wat was het hier heerlijk.  Bij iedere stap schepte ik een hoopje bladeren mee. Ik volgde het gebiologeerd.
Toch was ik een beetje ongerust. Waar was de scherpe punt? Was hij al hersteld van het knietje van Kee? En als hij Kee en haar minnaar nu betrapte in het echtelijk hol? Het huwelijk mocht dan zijn einde naderen, Rook had een explosief en wraakzuchtig karakter. Hij liet ‘t er vast niet zo maar bij zitten.

‘Alice, Alice! Kijk eens!’ hoorde ik een van de kindjes roepen. Verdwaasd keek ik op.

 

 

 

 

Strakke kabouters 7

Manner en Kee

Rook en Kee

Op de met verrotte bladeren bedekte bosgrond lag de venijnige puntkabouter vreemd te kronkelen. ‘Ik ga van je scheiden!’ schreeuwde hij tussen het gekerm door.

‘Lijkt me een goed idee! Kom Alice, we gaan ons opwarmen bij de kachel. En noem me Kee, want zo heet ik.’

Daar komt nog meer ellende van, dacht ik. Toch wilde ik de vrouw van de scherpe puntmuts nu niets weigeren. Ze had steun nodig, dat was duidelijk.

‘Kom zoon, papa herstelt wel’, maande ze het jongetje tot actie, dat verstijfd van schrik het tafereel gadesloeg. Zijn vader bedekte met twee houterige handen het kruis van zijn broek en sprak troostende woordjes tot zijn geslachtsdeel.

De meisjes hadden niet echt te doen met hun vader, getuige hun rondedansje om de boom.

‘Was dat nou wel verstandig, Kee?’ vroeg ik haar toen we rond het potkacheltje in het kabouterhol zaten. ‘Want hij, eh, hoe heet hij eigenlijk? Want ik noem hem scherpe punt…’

Kee pieste haast in haar frivole kabouterbroekje van het lachen.

‘Da’s een goeie naam voor hem,’ zei ze, toen ze een beetje bijgekomen was. ‘Maar helaas, hij heet Rook.’

‘Waar rook is, is vuur,’ deed ik een duit in het zakje. Nu lachten ook de kindertjes van het kabouterpaar. Keihard.

‘Wat valt hier te lachen?’

Op de eerste trede van het trapje zagen we twee spierwitte laarsjes die fanatiek door Wolf besnuffeld werden.

‘Ach Manner, kom toch verder! Dan stel ik je aan Alice voor.’

 

 

 

Strakke kabouters 6

Agressieve fluim

‘Ik schrok me de tering, scherpe puntmuts’ beet ik ‘m uit de grond van mijn hart toe, dat  overigens nabonkte van jewelste.

‘Nog niets veranderd, Alice. Slechte invloed voor mijn kindertjes, al dat gevloek. ’t Is maar goed dat ik je eruit heb gegooid.’

Uit het grote witbehaarde lijf van Wolf klonk een vervaarlijk gegrom.  ‘Wolf houdt er niet van als ik beledigd word,’ merkte ik fijntjes op. Daarop ging de puntmuts achter de dichtstbijzijnde boom staan. Dat hij afstand nam, kon ik hooglijk waarderen. Want buiten dat hij een onaangename kabouter is, had hij een penetrante geur van verrotte zwam om zich heen hangen.

Ik propte de pruik, snor en mantel in mijn buideltas en plukte het beukenschors uit mijn haren. Een volgend moment trok een zacht piepend gekrijs mijn aandacht. Het vibreerde in korte, snelle kreetjes door het bos en kwam me vaag bekend voor.

‘Alice! Alice! Je bent terug!’

Warempel, het waren de kindertjes. Ze renden op me af, met moeder puntmuts in hun kielzog. Herfstbladeren dansten vrolijk rond hun kaboutervoetjes. Toen ze hijgend voor me stonden, boog ik mij door de knieën.

‘Wat zitten jullie puntmutsjes mooi strak, vandaag!’ begroette ik hen.
‘Kom je weer bij ons, Alice?’vroegen de kindertjes. ‘Dan mag je al onze bordjes leegeten.’
‘Nou, kleintjes, daar was ik niet trots op. Ieder z’n pap, nietwaar?’
‘Ik vond het reuze gezellig dat je boel toen zo kwam verstoren,’ deed moeder punt een duit in het zakje. Achter de boom spuwde haar echtgenoot een agressieve fluim mijn richting uit.

 

 

Strakke kabouters 5

Snor

Toen ik er in de buurt was, ging ik toch weer naar het kabouterbos. Met die mannen die de wacht hielden voor het  huisje met mijn pumps in de hand, heb ik het  best leuk gehad vorig jaar.

Ik werd toen binnengelaten en mocht plaatsnemen bij de kachel. Ik kreeg een grote kom groentesoep van ze. Want ze wisten dat ik een vegetariër ben, zeiden ze. Daarna kreeg ik een relatie met de een, en later met de ander, en toen met alle twee. Totdat Wolf jaloers werd en helemaal verpieterde. Het was tijd om op te stappen.

Dit keer stuitte ik in het kabouterbos op een enorme toegangspoort.
‘Wat een uitbundige aankondiging voor zoiets delicaats als een kaboutergebiedje’, mompelde ik in mezelf. Ik glipte er doorheen. Voor de zekerheid had ik mezelf een beetje vermomd. Wolf liep naast me met een groene cape over haar heen waar alleen haar ogen en oren doorstaken.

‘En jij dacht dat je hier zo mee weg zou komen?’
Van de schrik veerde ik op en stootte m’n hoofd tegen een beukentak. Daar stond dat kreng weer, met z’n snerpende stemmetje. ‘Alice en haar Wolf.’
‘Krijg ’t lazarus. Na een jaar denk je nog steeds aan ons.’
‘Ons geheugen is veel meer toereikend dan dat van de mens. En ik persoonlijk heb de gave dat ik overal doorheen kan kijken.’
Ik rukte de pruik van m’n hoofd en trok de snor van m’n bovenlip.
‘Doet pijn zeker, hè?’ Hij glimlachte er bij.

 

 

Strakke kabouters 4

Donkere nacht

Beduusd stonden we in donkere nacht naar de hemel te staren. De maan stond er aan, rond en vol.
De vlijmscherpe puntkabouter had me eruit gesodemieterd. Hij had het al niet zo op dat logeerpartijtje. Een wolfshond erbij bracht hem tot deze wrede daad. Hij greep me bij de lurven en duwde me het laddertje op. Ik verloor daarbij een van mijn schoenen. Toen het luik dichtging stierven de vage protestklankjes en snikjes weg.

‘Lul’, zei ik hardop. ‘Waar moeten we nu slapen?’
‘Nou, hier in de boom. Da’s veel comfortabeler dan in een hol.’
Ik streek een lucifer af. Een monsterlijk wezentje hing naast me aan een tak. Hij leek op een vleermuis maar het kon ook een rat met vleugels zijn. Wolf begon te grommen.
‘Ik ben niet bang voor wolven’ reageerde hij.
‘Wij zijn wel bang voor jou’ beet ik ‘m toe. Ik greep Wolf bij de riem en begon op de tast de tocht door het bos. Ergens moesten we toch een huis tegenkomen. Met verlichting achter de ramen.

Ik kon geen kabouter meer zien. Het was mooi geweest met dat bos. Ik brandde mijn hand aan de lucifer. Daarop smeet ik ‘m met het hele doosje erbij op de grond.
Snel gaf ik Wolf de opdracht zijn neus te volgen naar de mensenwereld. Hij gehoorzaamde. Ik ging op zijn rug zitten en viel in slaap. Tenminste, dat merkte ik toen ik wakker werd. Mijn blote voeten bungelden aan weerszijden van Wolfs romp. We stonden stil voor een beeld van een huisje. Voor de deur stonden twee kolossale mannen op wacht. Alle twee hadden ze een schoen in hun hand. Het waren die van mij.