Vreemde klant

In een winkel, bij het schap met leesbrillen. Verkoopster stapt op man af.
“Eh..meneer, je mag geen bril van ons gebruiken om een bril uit te zoeken.”
“Wat zeg je nu toch? Ik heb nog geen bril dus ik moet er een uit het rek lenen om de juiste bril te vinden.”
“Dat is vreselijk jammer dat je nog geen bril hebt. Misschien kan je er een van een ander lenen. Met die bril kan je een keuze maken uit ons brillenassortiment.”
Man kijkt om zich heen en wacht tevergeefs. Er dient zich niemand aan met een leesbril.
“Dan kies ik deze bril, koop ‘m, zoek daarmee naar de juiste bril en breng die eerste weer terug. Is dat een idee?”
“Nee, dat is geen goed idee.”
“Waarom niet?”
“Omdat je mij verteld hebt wat je wil doen en het is niet de juiste werkwijze.”
“Dat is eigenaardig. Willen jullie liever geen brillen verkopen soms?”
“Ja hoor, we willen alleen niet dat gedoe met twee brillen.”

Vrouw duikt op achter de man die een bril wil kopen. Ze tikt hem tegen de schouder en zegt:
“Ik heb gehoord van die regel die ze hier hanteren. Als het mij betrof, had ik rechtsomkeert gemaakt. Maar enfin, hier heeft u mijn bril.”
Man dankt met een knikje richting de vrouw, frommelt het kleine leesbrilletje op zijn forse neus en richt zich tot de collectie brillen. Het winkelmeisje en de welwillende vrouw kijken toe.
“Ja zeg, zo kan ik het niet meer, nu jullie kijken,” zegt de man, terwijl hij het gammele leesbrilletje van de vrouw van zijn neus rukt.
“En weet jullie wat? Ik zie alles ineens haarscherp. Ik heb helemaal geen bril meer nodig. Dank u wel, beiden.”
Ze kijken hem na. “Vreemde vent”, zegt de welwillende vrouw. “Ja, vreemde klant,” beaamt de winkelmeid (want meisje mag niet meer).

Een fietsenhoes met fietsjes

Goed ingestopt.
Goed ingestopt.

Een mens die iets met aandacht en overgave doet, ook al is het – in onze ogen – ’t lulligste dingetje. Nee, ik zeg het niet goed. Juist die lullige dingetjes en dan die aandacht. Dat fascineert mij, dat ontroert mij. Ik kijk er graag naar, heimelijk meestal.
Zo had ik vorige week uitzicht op een chaletje, vanuit de tuin van het door ons gehuurde kunststoffen chaletje. Zon en warmte, ze waren er beide. Veel senioren gingen dan ook fietsen op de Veluwe. Zo ook het oudere echtpaar tegenover ons, voor een paar dagen onze buren. Ik schatte ze rond de tachtig en ze hadden alle twee een vouwfiets, nee geen elektrische. Als ze in de ochtend hun fietstochtje achter de rug hadden, plaatste onze buurman ze tegen de zijkant van het chaletje. Daarna genoten hij en zijn vrouw in de tuin van de zon. Een beetje soezen, een regeltje lezen.
Tegen etenstijd gingen ze naar binnen. Ik dacht al vanaf dag 1 te begrijpen dat de vrouw dan de avondmaaltijd ging bereiden en dat de man dan mooi even de tijd had de boel buiten op orde te brengen. Hij liep dan naar de fietsjes – want klein, dat zijn ze – en trok daar een zeiltje overheen. Nou ja, niet echt een zeiltje. Dat is oneerbiedig. Je hebt van die speciale hoezen, voor tuinsets en fietsen. Onze buurman deed dit om de fietsen te beschermen tegen eventuele regenbuien. En wat dacht je van de dauw, die is in dit jaargetijde ook niet misselijk. Hij deed het niet om ze aan het oog van een voorbijganger te onttrekken, concludeerde ik na enige beredenering. Want, en nu komt het, onderaan het ‘zeiltje’ stonden een reeks fietsjes afgebeeld, heel decoratief. Niet schreeuwerig maar gewoon, onderaan de hoes, zo’n stoet van rijwielen uit verschillende periodes want de historie van de fiets is een interessante. Van deze aanblik kreeg ik tranen in mijn ogen, een fietsenhoes met fietsjes erop.

De oudere heer droeg ook nog eens dagelijks, zonder dat hij er zelf nog erg in had, een lief petje in lichtgeel met wit. Daarbij had deze man een vriendelijke uitstraling, met de krachtige breekbaarheid die God je soms vanaf een bepaalde leeftijd en na een aandachtig leven zomaar kan schenken.
Nadat hij de hoes over de fietsen had getrokken, was hij enige tijd bezig met het ordenen. Zorgvuldig drapeerde hij het speciale ‘zeiltje’ over de vouwfietsen, die uiteraard on-opgevouwen onder zeil gingen want de volgende dag gingen ze weer fietsen. Daarna was het touwtje aan de beurt – wind kan zeil meenemen, fietsen dan in hun blootje in kou en regen – waarna de finishing touch volgde. Hier en daar werd er nog wat geschoven. De fietsjes werden ingepakt alsof ze naar bed werden gebracht: lekker slapen, ik stop jullie goed in, tot morgen, welterusten!

Daar kan geen spiritueel leven volgepland met meditatie, yoga en inspiratieweken waar je over ‘eenvoud’ en ‘genoeg’ moet gaat leren tegenop. De overgave, de natuurlijke kalmte. Geen dwanghandeling, geen spanning, niets daarvan. Een mooi karwei, dat met de volle intentie dient te worden uitgevoerd. Al doe je het honderd keer. Wat zeg ik, duizenden keren.
Ik veegde de traan van mijn wang die eindelijk mijn oog had durven verlaten. Toen de oude heer het chalet was binnengegaan, wachtte ik nog even tot hij nu wel aan tafel moest zitten. Ik pakte mijn camera en maakte de foto. Ter herinnering. Aan aandacht. Aan iets met liefde doen. Of het nu fietsen zijn of mensen.

Net mensen, eigenlijk

P1010612Als je een tijdje in een huis in een bos verblijft en je kijkt naar buiten, begint je van alles op te vallen. Vooral dat wat beweegt. Het voorjaar lonkt wel een beetje maar toch is het nog winter. Het is koud en er zijn nachten met vorst.

Na een nacht waarin ik mijn gehoor gelaafd heb aan het gekrijs van de bosuil en het wiewioe-antwoord van zijn potentiele partner voed ik mijn ogen bij daglicht met interessante beelden.
Soms tuur ik een poosje door de oude verrekijker van wijlen mijn vader. Dan kan ik de vogels tot in detail begluren. Die verrekijker is een zwaar apparaat maar ik koester hem enorm.
Hans Dorrestijn, ik heb ‘m hoog zitten. Hij fulmineerde tegen de regel die de verkleinvormen uit de vogelnamen heeft gehaald. De tegenpartij zei: Het belangrijkste voordeel van de verkleinwoordloze vogelnamen is dat ze juist ontdaan zijn van een of andere bijzondere gevoelswaarde, geen positieve maar ook geen negatieve.
Ik houd me bij Dorrestijn. Want ik wil juist die gevoelswaarde.

In het robuuste vogelhuis plaats ik iedere dag een schaaltje vers water. Ik leg er ook gemengd vogelvoer in en er ligt een ring vet met zwarte zaden. Je hebt ook van die kleurrijke vogeltaarten, met alles erop en eraan. Zo’n taart zal de boel opfleuren, maar zo ver ben ik nog niet.

Al een paar dagen strooi ik er stukjes walnoot bij. Daar worden vooral het koolmeesje en het pimpelmeesje overdreven enthousiast van. Aan pinda’s zijn ze verslaafd. Zolang je die aanbiedt (meestal in een netje), laten ze de rest links liggen.
Ook is er in deze immense bostuin op de stam van een spar zo’n pindakaaspothouder opgehangen. Met een afdakje erboven, want je moet het toch een beetje leuk maken. Braaf kocht ik daar speciale vogelpindakaas voor. Daar heb je een hoop lol van want het vindt gretig aftrek…
Warempel! Daar zie ik een grote bonte specht (nee, dit is nooit `spechtje’ geweest). Die ken ik al want hij, of een van zijn maten, hield ons wekenlang wakker. Dit, omdat hij het nodig vond vooral in de avond en in de nacht onder het dak als een gek te gaan lopen tikken met die snavel van hem. Geen minuut had hij rust in z’n reet. Toen de nachten te slapeloos werden en ik vreesde voor de dakconstructie, heb ik de eigenaar van het huis erbij gehaald. Die timmerde een plaatje voor het gat dat zo ijverig uitgehakt was. Grote bonte specht zal danig op zijn neus gekeken hebben.
Met evenveel ijver valt hij nu aan op de pindakaas. Zijn poten klemt hij tamelijk vastbesloten om afdakje en pot. Hij is vrij lang bezig flink die snavel in de pindakaas te jassen. Daarna veegt hij z’n gereedschap schoon aan de rand van het afdakje waar een keurige streep vet op ontstaat..

Ach nee toch, wat doet hij nu? Hij maakt nederig plaats voor een roodborstje! Hoe soft. Maar eigenlijk kan ik mij dat wel voorstellen want na wekenlange observatie kan ik met zekerheid zeggen dat dit niet altijd een lieverdje is. Het gaat allemaal non-verbaal, maar toch…
Het roodborstje komt aanvliegen en landt steevast bovenop het dakje. Dan kijkt hij rustig om zich heen en neemt achteloos een duik in de pot. Kort daarna posteert hij zich wederom op z’n uitkijkpost.
De kool- en pimpelmeesjes gaan rap en trefzeker te werk. Ze herkauwen liever een eindje verderop, in het struikgewas.P1010614

Specht, roodborstje en de meesjes lijken voldaan. Ze gaan weg en komen voorlopig niet terug. Dit is het moment dat de boomklever in actie komt. Hij zit eerst irritant lang aan de boom gekleefd, ongeveer een halve meter boven het dakje. Ik bestudeer zijn voorkomen langdurig door de kijker. Ik constateer dat hij lijkt op al die te dikke mensen die je nu veel ziet, want obesitas is hot. Kopje, nek en lijfje lijken een geheel, zonder contouren. En daar steekt dan ineens dat venijnige snaveltje uit. Daarmee randt hij nu de pindakaas aan, ik kan het niet anders noemen. Waar gaat hij heen? Nou zeg! Nog bonter maakt hij het nu in het vogelhuis. Daar begint hij zo vreselijk op de vetring in te hakken dat de vloer van het vogelhuis het moet ontgelden en het vet op de bosgrond belandt. Dat zou toch wel iets fatsoenlijker kunnen. Een roodborstje en koolmeesje kijken geschokt toe.
Een boomkruiper pikt wel eens een hapje mee maar toch is hij voornamelijk bezig op de stam heen en weer te kruipen. Een gaai, die geen Vlaming meer mag zijn van de vogelpolitie, vult ondertussen met zijn grote lijf het hele vogelhuis.

Bij de boom waaraan twee vetbollen hangen en ook weer een vetring met zaden ben ik getuige van komische taferelen. Meestal scharrelt er een roodborstje aan de voet van de boom. Hij eet de brokjes die ze hebben laten vallen, van de vogels die het zware werk doen. Verrek, daar komt die boomklever weer. Je begrijpt toch direct waarom hij als klein vogeltje toch nooit de naam boomklevertje heeft gekregen. Hij gaat weer zo tekeer in dat vet, de stukken vliegen in het rond. Een merel, die zich daaronder heeft geposteerd, laat het zich goed smaken. Maar nu vallen daar pardoes twee grote stukken vet bovenaf op de merel, waar hij zo van schrikt dat hij twee angstsprongetjes in de lucht maakt. Net mensen eigenlijk, die vogels.

Ik leg de kijker maar weer neer. Ik krijg lamme armen. Wat is hij zwaar. En dat serienummer dat erop staat, dat heeft mijn vader ongetwijfeld uit zijn hoofd gekend. Als hij zou zien dat zijn prachtige kijker hier open en bloot ligt, niet in zijn behuizing en zonder beschermingsdopjes op de lenzen, man man…..