Vrolijk kijkend kindje Jezus

Kerstmis begin jaren zestig in Rotterdam-Schiebroek

Ja, en dan stond hij daar, kaarsrecht. Een grote dennenboom in een kleine huiskamer. Zo recht als de Euromast (toen nog zonder extra torentje), want zo was mijn vader, een perfectionist zoals je die in de jaren vijftig-zestig nog kon hebben. Dus de kaarslampjes stonden ook honderd procent verticaal op de takjes. Er zijn meerdere foto’s van onze kerstboom. Daarom weet ik dat deze absolute herhaling van de opwaartse lijnen werkelijk bestond.
Graag had ik die intens gerichte aandacht van toen behouden. Langdurig bekeek ik alles wat er hing te pronken. Vooral de schittering van de materialen, versterkt door het magnifieke licht erin. Ik mocht mijn eigen kerstversiering in de boom hangen. Al denk ik dat mijn hand door een van mijn oudere zussen werd geleid. Zo bleef het perfect in orde, daar in die boom.
Ik kan mij niet herinneren dat wij een kerststal in huis hadden. Religie speelde bij ons thuis nagenoeg geen rol.

Omdat wij met zeven personen in een klein huisje in Rotterdam woonden en soms grootouders en tantes ook nog een plek aan de eettafel moesten krijgen, werden mijn jongste zus en ik aan een apart tafeltje gezet. Ik heb daar niet onder geleden want wij hadden een eerste rangs-plek, namelijk naast de boom. Ieder aan een hoofdeinde van de salon-kloostertafel, heel feestelijk en chique. Zodra ik kon schrijven, maakte ik de menukaartjes, voor ieder persoon een andere en met illustraties.
En dat doe ik nu nog steeds, al zijn we met zijn tweeën. Ook bij ons staat er een boom in huis. Daarin horizontale en verticale lijnen en diagonale ook nog. Ik heb de perfectie van mijn vader slechts gedeeltelijk geërfd. De geur van mandarijnen brengt mij altijd terug naar vroeger en ik kan het nog steeds niet laten bij een kaarsvlam een schilletje te vouwen. Na al die jaren vind ik het wederom leuk als het dan knettert en schittert.

De kamer is rianter, aan de tafel zitten niet meer zoveel mensen, laat staan dat er een bijzetter nodig is. Maar de magie van Kerstmis is gebleven. Niet helemaal, maar een fractie is er zeker van over. In ons huis maak ik plaats voor een bescheiden kerststalletje, met een vrolijk kijkend kindje Jezus. Want ja, ik geloof wel in hem.

Zingen

12038002_996839617035448_6759759919673655704_nIk hoor het, zie het en voel het nog. Het zit in mijn geheugen gegrift en het is aan mij doorgegeven: zingen. Mijn moeder was altijd aan het zingen tijdens het werk in huis. Oud-Hollandse liederen, kinderliedjes, ik ben er mee opgegroeid. Ik vond het fijn en geruststellend.
Het grappige was: als bijvoorbeeld de telefoon ging of er iemand aan de deur was, moest mijn moeder het zingen onderbreken. Maar na het bellen pakte ze gewoon de draad weer op waar ze gebleven was. Ze begon het lied niet opnieuw maar vervolgde ‘Kom hier Rosa! Je bent mijn liefje, je bent mijn liefje..’ of wat het dan ook mocht zijn uit die lange reeks versjes die ze paraat had. Bij aardappelen schillen hoort voor mij zingen, bij afstoffen ook, bij de was opvouwen, strijken, altijd hoort daar een liedje bij.
De rustige doordeweekse sfeer, de geur van vers gestreken was of van afgehaalde sperzieboontjes… Een versje hoort erbij. En zelf ben ik het ook gaan doen. Niet eens bewust maar zo ging het: ik zong voor mijn zoon toen hij klein was, hij sliep goed op ‘Wij hebben twee kleine poesjes…’ .
Tijdens het huishouden doen zong ik eerst pop- en bluesnummers uit mijn eigen periode, maar de laatste tijd betrap ik me steeds vaker op ‘In iedere kleine appel…’ of ‘Een veldmuis in een notendop..’. Mijn hond kan het waarderen. Op haar heeft het zo te zien dezelfde uitwerking als op mij vroeger: ze rekt zich nog eens flink uit en knort van vreugde.

Het zwaaien van mijn vader

Een zomervakantie begin jaren vijftig. Mijn vader en mijn drie oudere zussen, plus een vriendje van Janet.

‘Je vond er niets meer aan, he Pa, nadat Ma was overleden. Maar het duurde even voordat we ontdekten dat je niet dwars was maar dat je hersenen niet meer zo goed werkten. Ik wilde je eigenlijk in huis nemen, maar je ging in rap tempo achteruit en belandde op een geriatrische afdeling. Binnen de kortste keren was je nog verder heen. Contact maken was moeilijk. Je keek wel, maar je keek toch ook weer niet. Je staarde naar een horizon die voor mij onzichtbaar was. Je wilde niet drinken, zei het personeel, maar als ik geduldig naast je zat, dronk je wel degelijk. Dit was het intiemste contact dat we konden hebben: ik de beker vasthouden, jij zuigend aan het rietje. Verder bracht je je tijd door in een andere wereld, een die mijlenver van die van mij verwijderd was.

Ik kon wel een weekje vakantie houden, zei de arts. Zo slecht ging het niet met je, volgens hem. De dag voor vertrek brachten Wilke en ik je een bezoek. Je lag helemaal alleen op het zaaltje. We gingen ieder aan een kant van je bed zitten. Ik hield jouw hand vast, je lag daar maar, met je ogen dicht…
Na enige tijd vertrokken we. Wilke kwam op het idee naar de binnentuin te gaan, waar we door het raam nog een keer naar je konden kijken. Met een hand tegen ons voorhoofd tuurden we door het glas. Daar lag je, mijn lieve Pa…
En toen ineens keerde jij je naar het raam. Je zag ons! En je keek, je keek echt! En toen zwaaide je! Je zwaaide naar ons en je lachte, vrolijk, volkomen helder!
Ontroerd en blij zwaaiden we naar je terug, minuten lang. Hoe wonderlijk! We konden er niet over uit. Toen gingen we maar.
Aan het einde van mijn vakantieweek belde Ellen. Het ging niet goed met je, vertelde ze, je lag op sterven.
Je was al gestorven voordat ik bij je was. Wat een klote-gevoel.
Wilke zei dat het niet voor niets zo was gegaan. Dat mijn vader wist dat het de laatste keer was en dat hij toen nog vrolijk afscheid van me kon nemen. Ja verdomd, daar zei hij wat. Het was trouwens symbolisch voor de relatie die ik met je had, Pa: een glazen wand ertussen, toch enige afstand. Maar dat gaf niet. Je hield van me, wist ik nu. ‘

(Wilhelmus (Wim) Fons, 29-11-1914/14-6-1997)

 

 

Klan

In 1957 bij de fotograaf, met achter mij zus Toos om mij overeind te houden, anders kukelde ik om.

Een denkbeeldig vriendje, dat had ik toen ik klein was, ik denk zo tussen mijn eerste en vierde jaar.

Ik zeg dat ik het weet, maar ik heb geen goed geheugen. Het kan dus best zo zijn, dat ik het gehoord heb van mijn moeder of van mijn oudere zussen. Toch heb ik er een beeld bij. Luister maar.
Ik zit te spelen in een hoekje van de kleine huiskamer in de Gentiaanstraat in Rotterdam-Schiebroek. Daar wonen we met z’n zevenen in een vrij klein huis. De asla van de kolenkachel is zojuist door mijn moeder geleegd. Mijn zus Marianne heeft in opdracht verse kolen geschept in de schuur. Ik spreek, nou ja brabbel, met Klan (ik denk dat de naam met een K begon, niet met een C). Klan is meer een wezentje dan een mensenkind. Is Klan een engel? Is Klan een elf of kabouter?
Ik zou niet durven beweren dat het een geheel denkbeeldig ‘kind’ was, waar ik mee sprak en speelde. Hij luisterde altijd naar me. Want ik was wel even stil als ik hem een vraag had gesteld. Op een reactie moet je wachten, geduld hebben. Niet gelijk doorgaan met kakelen, zoals veel mensen doen. Ik leerde al vroeg dat je ‘mensen uit moest laten praten’. Dus Klan mocht ook zijn verhaal doen.
Maar wanneer verdween Klan uit zicht? Hoe kwam het dat het spelen en praten met hem ophield? Ging Klan weer naar zijn eigen wereld? Een holletje in het bos? Of voegde hij zich weer bij de andere engelen? Ik weet dat ik me toen, in die eerste jaren, meer geborgen voelde dan in de jaren daarna, toen Klan waarschijnlijk al vertrokken was. Het zou eigenlijk een goed idee zijn hem weer ’s aan te roepen. Wie weet heeft hij wel zin in een goed gesprek na al die jaren. We zullen zien.