Wilke Vos: Het lerarentekort is nooit opgelost

Nog steeds is er een lerarentekort. In 2001 schreven 7 Rotterdamse schooldirecteuren een nota met aanbevelingen hoe dit tekort aangepakt kon worden. Nu ruim 16 jaar later zijn we niets opgeschoten en is het lerarentekort groter dan ooit tevoren. De aanbevelingen uit de nota van 2001 zijn actueler dan ooit.

nota7mrt

 

Jan van Kessel, lezing

007 dag Sovana Ildebranda (95)4 mei-lezing bij Etty Hillesum-monument, Deventer

Zet liefde op de troon om met het mysterie te kunnen leven

In mijn innerlijke rijk heerst vrede doordat er een krachtig centraal gezag is.

Dat schrijft Etty Hillesum op pagina 232 van Etty, de nagelaten geschriften. Daarmee doet Etty, zo ervaar ik het, een beroep op de mens om zijn eigen verantwoordelijkheid weer op te nemen. Om zijn leven, het leven zoals dat voor hem bedoeld is, weer op te pakken. Opdat de mens zich niet langer verstrooit, opdat de mens zich weer bewust wordt van wie hij is. Namelijk: liefde. En hij zich bewust wordt wat hij te doen heeft. Namelijk: de liefde leven.

In mijn innerlijke rijk heerst vrede doordat er een krachtig centraal gezag is.

Ik herken het. De tegenstrijdigheden lossen op, verzinken. De soms krachtige, felle twisten stranden op één centraal gezag: liefde. Als ik besluit vanuit een intense en diepgewortelde liefde naar mezelf en de wereld te kijken, worden de tegenstellingen in me al onbeduidender. Ze hebben niet zoveel macht meer doordat ik liefde op de troon laat zitten. En ik laat liefde op krachtige wijze regeren. Want liefde is het gezag in een mens, het ware gezag.

En als ik dat laat gebeuren met mezelf, als ik die alomvattende liefde aan en in me laat werken, lost de oorlog in mezelf langzaam maar zeker op. En dan is het alsof de oorlog buiten me ook zijn heftigheid verliest. De oorlog buiten me krijgt in ieder geval minder vat op me doordat ik doorzie wat er speelt. De oorlog buiten is een decor waarachter de ware wereld ligt. Ik kan door de illusie heen kijken – als ik dat tenminste wil.

Als ik alle energie en aandacht naar binnen richt, ook al is het maar voor even, dan ervaar ik niets dan stilte, die je gemakshalve ook de taal van de liefde kunt noemen. Dan is alles dat buiten me is, welhaast vreemd. In die zin, ik weet dat het bestaat, maar het is niet iets dat me verstoort. Het raakt me maar het brengt me niet van mijn stuk. Het is niet dat ik ongevoelig ben geworden. Integendeel. Het leed heeft mijn aandacht maar ik lijd niet mee, ik kan er met mededogen naar kijken. Want medelijden maakt me onderdeel van dat lijden, en dat is niet meer nodig. Ik kan meebuigen met het verdriet van de ander, meebuigen met het verdriet in de wereld zonder dat het mijn stille kern aantast. En daardoor ben ik in staat te blijven kijken, zonder te oordelen.

Maar ik ben een mens, dus feilbaar. Ik duikel elke dag weer in de dualiteit. Ik val uit de eenheid die ik ben. Ik dans op het ritme van volmaakt en onvolmaakt. Ik maak onderscheid, bouw een muur tussen dat wat me bevalt en dat waar ik een hekel aan heb.

We maken onderscheid, en daarin ligt ons verdriet. We zijn gehecht aan van alles. Gehecht aan geld, aan liefde, aan onze mening. Gehecht aan onze kinderen, aan onze gezondheid, aan ons leven. Maken we ons niet druk over het een, dan is het wel over het ander. En juist dit zo betrokken zijn op, dit gehecht-zijn, zorgt dat we de sprankeling er uithalen waardoor ons leven nog zorgelijker wordt dan het mogelijk al was. Op deze manier is en blijft het oorlog in onszelf.

Alleen in je zelf kun je de oorlog die je buiten je ziet stoppen, het is een terugkerend thema in het werk van Etty.

Mijn oordelen, mijn meningen, ik mag ze onder de loep nemen. De wereld buiten is een spiegel van mijn binnenwereld. Wat er in mij leeft, zie ik weerspiegeld in de wereld. Mijn oordelen en meningen zeggen niets over hoe de wereld eruitziet, ze zeggen alleen iets over hoe ik er over denk. En hoe ik er over denk, is wat anders dan hoe de wereld eruitziet. Kortom, als er in mij een oorlog woedt, kan het buiten me geen vrede zijn. Ik mag stoppen met oordelen, met onderscheid maken. En als dat zo zoetjesaan lukt, dan komt er een vrediger kijk op mezelf voor in de plaats. Ik zet liefde op de troon. En als ik dan mijn venster op de wereld open, dan zie ik een wereld die leeft.

Het beëindigen van de oorlog vraagt een terugkeer naar onszelf, en in onszelf. Want in het diepste van onszelf, daar liggen onze bronnen, daar woont onze oorsprong. Ik merk het aan mezelf. Als ik een zekere afstand tot de dingen kan nemen, lijkt het wel of ik het beter kan zien. En er daardoor ook beter van kan houden. Hier ligt het werk, mijn en ons belangrijkste werk, het innerlijk werk.

Maar hoe werk je eraan om liefde haar rechtmatige plaats te geven?

Dat is een proces van de lange adem. Het is bouwen aan, zoals Etty het verwoordt, edel materiaal. Het is een alchemistisch proces om jezelf almaar meer uit te zuiveren. Ik mag dat wat niet meer bij me past, dat wat niet bij me hoort, loslaten. Ik strek mijn voelhoorns uit naar zaken die er toe doen. Om zo te komen tot het materiaal, de mens die ik altijd al was, maar uit het oog verloren ben op mijn reis. Het is een proces dat gepaard gaat met bloed, zweet en tranen. Vooral tranen. Maar in die tranen zitten de vreugdetranen verstopt. Want opeens, als er herkenning is, worden de waterlanders zoet. Ik ben door een barrière in mezelf heen gebroken naar een lichtere versie van mezelf. Een edeler versie.

De werkplaats in mij is nooit gesloten. Ik ben voortdurend aan het werk. In mij. En er wordt in mij gewerkt. Want de liefde en ik, we werken samen. Er wordt getracht om lood om te smeden tot goud. Om van angst terug te keren naar liefde. Het is de belangrijkste werkplaats die ik ooit in mijn leven heb gehad. Hier, hier in deze smederij voel ik me thuis. Met alles wat er ongemakkelijk is, met alles wat tot vervelens toe herhaald wordt, met keiharde materie waar ik keer op keer mijn hoofd tegenaan stoot.

Dit werk vraagt van me om me helemaal te geven, om kwetsbaar te zijn, naakt te durven zijn. En stil, leeg. Ik wil naakt zijn. Ik wil zonder houvast zijn. Om te merken dat ik het houvast in me heb. Om te merken dat die naaktheid niet zozeer alleen maar kwetsbaarheid is, maar ook een pure kracht. Als ik nog slechts gekleed ben in liefde dan heb ik niets meer te verliezen.

Maar dit pad volgen betekent wel dat ik de weg van de meeste weerstand kies. Ik zal in mijn naaktheid misschien beschimpt worden, uitgelachen. Maar ik weet beter. Dank zij die stormen, juist dank zij die tegenkrachten, word ik alleen maar wijzer en sterker. Uiteindelijk bereik ik het doel: het oog van de storm. Doodmoe, maar in alle gelukzaligheid. En ik weet dat het zo moet gaan. Zonder wrijving geen glans, zonder moeite geen moeiteloosheid. En dan duikel ik weer in de dualiteit. En begint het werk opnieuw.

Maar ik heb geproefd, ik heb de voorsmaak van het paradijs in mijn mond. En die smaak, die smaak nodigt me uit opnieuw in beweging te komen. En weer ga ik op weg, op weg omdat ik niet anders kan, omdat ik dit heb te doen. Er is een wil die groter is dan mijn wil. En zo word ik door dit proces almaar meer een instrument, een instrument van liefde.

Een voorbeeld. Ik zat een tijdje geleden in de trein. Ik was op weg naar huis. Een vrouw gaat tegenover me zitten. Ze klapt haar blindenstok in, ritst haar jas open en zegt zachtjes, tegen niemand in het bijzonder: Wat is het koud! Buiten slaat de regen tegen de ramen. Ik kijk naar haar handen waar alle kleur uit is. Zal ik je handen even warm maken? Ik wacht haar antwoord niet af en pak haar beide handen vast. Jouw handen zijn inderdaad lekker warm, zegt de vrouw. Haar glimlach verwarmt mij. Op dat moment voelde ik dat ik liefde was. Wij waren liefde. De vrouw en ik.

Ik kan liefde uitdelen zonder dat de bron droog valt, dat weet ik. Maar de realiteit is weerbarstig, de realiteit is ook dat ik huiver om dat te doen. Ik kan de hele dag liefde zijn, maar ik kies nog vaak voor mijn ego. Ik kan de hele dag in vrede zijn, maar ik kies nog voor mijn kleinheid. Ik kies voor het rode stoplicht. Ik kies nog niet altijd voor groen. Terwijl het licht op groen staat. Al mijn hele leven staat het licht op groen, mijn hart weet dit. Mijn ego denkt er anders over. En daarom, daarom leef ik nog niet ten volle wie ik ben. En daarom ben ik ook blij met die kleine doorbraken die de dammen die ik opwerp overspoelen.

Langzaam beweeg ik toe naar wie ik ten diepste ben. Ik zing almaar meer mijn lied, paradoxaal genoeg gaat dat via het loslaten van ook maar elk idee van wie ik ben. Want, ik kan naakt voor de ander gaan staan en zeggen: hier ben ik. En dan nog voel ik het tekort. Het is niet genoeg. Ik ben nog zoveel meer. En ik zou met de ander kunnen vrijen, we zouden in elkaar op kunnen gaan. En dan zou ik kunnen zeggen: dit ben ik. Maar ook dat zou onvoldoende zijn. Ik ben namelijk veel meer dan dat. Ik ben alles. En niets. Ik ben de korenhalm en het gehele veld. Ik ben de golf en de zee. Ik ben wit en zeker ook zwart. Ik ben liefde. En tegelijkertijd: wat of wie ik ben, gaat voorbij de woorden. Ik ben te vinden in een terloopse oogopslag. In een zonnestraal op een gezicht. In een glimlach.

We dienen te leren leven met het feit dat we het niet weten. Het leven is een mysterie.

En ik citeer Etty: ‘En toen ik daar klein en verloren midden op het grote toneel stond, met de gapende lege afgrond van de zaal dreigend voor me en onder me – toen werd ik wel opeens door een heel ondefinieerbaar vreemd gevoel aangegrepen. Ik kon me voorstellen dat men alleen nog maar kan leven bij de gratie van die gapende afgrond.’

Die gapende afgrond van Het Grote Niets. Het Donker. De Leegte. Stel je nu eens voor dat die afgrond er niet is in je leven. Dat alles helder is, beschikbaar, geweten. Dat er niets nog als een verrassing op je ligt te wachten, dat er geen cadeautjes zijn, maar ook geen onverwacht verdriet dat je overvalt. Stel nu eens dat alles komt zoals verwacht, dat je alles begrijpt, alles weet: hoe, hoe kun je dan nog leven? Hoe wil je dat aanpakken als alle verlangen opgelost is, als alles je bekend voorkomt, als elke verrassing uitgesloten is?

De gapende afgrond zou je met gemak het mysterie kunnen noemen. En het leven moet, zoveel is mij duidelijk, een mysterie blijven. Opdat wij kunnen leven, is het mysterie nodig. Opdat wij kunnen leven is het nodig dat wij niet (alles) weten, dat wij leren leven met dit niet-weten. Want daarin schuilt de dynamiek, het niet-weten spoort ons aan, het is de aandrijfas om het wiel van het leven in beweging te zetten.

Ik merk het soms letterlijk, bijvoorbeeld als ik op de Wilhelminabrug loop. Dan trekt dat water aan me, die diepte. En niet omdat ik zelfmoordneigingen heb, integendeel. Maar het wil iets van me. Het is alsof het leven me maant om gewoon die sprong te wagen, die sprong in het diepe, in de leegte, in het niet-weten, in het ongekende. De sprong in de liefde te maken.

Opdat ik leef, echt leef.

 

Jan van Kessel