Pennenstreekje

Pennenstreekje-januari-2012-008-MediumIk zat in bed en maakte enkele notities over wat ik die dag wenste mee te maken.

Met het schrijfgerei nog in de hand, rekte ik me uit en raakte de wand.
‘Hola!’ hoorde ik roepen.
Het was een smal geluidje. Zoiets kan alleen uit een pen komen. Het maakte me nieuwsgierig dus gooide ik mijn hoofd in mijn nek. Op de lichtblauw geverfde muur zag ik een minuscuul donkerblauw pennenstreekje. Min of meer vertederde het me. De pen slaakte een vrolijk kreetje en wrong zich tussen mijn vingers vandaan. Achter mij hoorde ik een zacht gekras en gegiechel. Ik hees mezelf overeind en keerde me om.
Verbouwereerd keek ik toe. Mijn maagdelijke slaapkamerwand is mij lief. Mijn pen dacht daar anders over. Hij danste vrolijk op de muur en liet zijn punt er overheen glijden. Zo tekende hij berg en dal, huis en mens, giraf en hyacint, boom en horizon, ipod en stofzuiger, drol en piespot…. ‘Heee, stop ’s even!’ riep ik ‘m toe. Was ik aanvankelijk nog licht gecharmeerd van zijn kunstzinnige uitbarsting, nu werd het mij te gortig.
‘Dít wil ik niet op mijn muur! Hé, hoor je mij?’
Een venijnig lachje steeg op uit het staafje. DE POT OP, ALICE. IK WIL MIJN VRIJHEID. IK ZIE ALTIJD MAAR DEZELFDE DINGEN, schreef hij met mijn handschrift.
Ik had ‘m in één greep. Hij worstelde nogal, doch ik was sterker.
‘Wat is dat nou allemaal met je?’ vroeg ik. ‘Je hebt toch genoeg te doen? Geen pen is in zo’n uitstekende conditie als jij.’
‘Maar ik verveel me. Gelukkig is er TV, anders wist ik niets van, zeg maar, een hondendrol. Ik wil met je mee, alles in het echt zien!’ piepte hij.
Wat een aanstellerij, om daar nu, na jaren, ineens mee aan te komen zetten. Ik stopte ‘m in z’n leren etuitje en beloofde: ‘Je verzoek zal in beraad nemen. Welterusten.’
Ik was al bijna de slaapkamer uit toen ik een gesmoord en verbeten ‘fuck you’ hoorde . Die pen van mij moet ik meer in de hand zien te houden..

Vogelpoepconcert

Het begon zachtjes te sneeuwen. Ik was op weg naar een vogelpoepconcert*  toen ik op mijn goede vriend Paulus botste. Omdat ik gefascineerd de neerdalende sneeuwvlokken volgde, had ik hem niet opgemerkt.

‘’Zo Alice, loop je weer ’s te dromen?’’
‘’Hoi, Paulus! Nee hoor, een sneeuwfixatie, meer niet.  Ik ben op weg naar een vogelpoepconcert in het park, heb je soms zin om mee te gaan?’’
Paulus had daar wel zin in. Hij had veel meegemaakt in zijn leven, maar nog geen vogelpoepconcert bijgewoond. Ik haakte mijn arm door die van hem en vrolijk huppelden we in de steeds witter wordende wereld. Ik gooide mijn hoofd in mijn nek en opende mijn mond om de vlokken daarin op te vangen. ‘’Lekker joh, moet je ook doen,’’ stootte ik Paulus aan. Hij deed het. “Wat een sensatie!’’ beaamde hij. Maar we moesten opschieten, anders misten we het concert.
Het was druk in de muziektent en het rook er een beetje naar vogelpoep. Dat was eigenlijk logisch want er waren ook vogels uitgenodigd.
De componist had vellen papier onder bomen gelegd waarin veel vogels zich ophielden. Dat leverde een bonte verzameling klodders op. Daaruit had hij een compositie gedistilleerd. Het stuk werd nu uitgevoerd door een orkest. Het begon een beetje rommelig. “ Te modern’’, fluisterde Paulus in mijn oor. “Dat zijn de eerste nerveuze klodders, toen ze nog heel erg moesten schijten. Het wordt straks wel rustiger,’’ liep ik op de zaken vooruit. En verdomd als het niet waar was: de chaos van het begin ging over in lieflijke klanken. De vogels onder het publiek zongen uit volle borst mee, dat gaf het concert extra cachet. Toen we de muziektent verlieten, lag er een dik pak sneeuw. Alsof hij was getoverd door een fee, stond daar plotseling een slee.  Ik mocht gaan zitten, Paulus trok mij helemaal naar mijn huis. “Wonderlijk concert was dat, Alice!’’ riep hij hijgend. ‘Ik denk dat we het gedroomd hebben.’’

(* vogelpoepmuziek bestaat sinds kort echt: een project van de Britse kunstenares Kerry Morrison)

 

Mokkapunt

Pauzes zijn nodig
Pauzes zijn nodig

In een gezellig theehuisje in de meest rustige wijk van de stad, had ik plaatsgenomen aan een tafeltje bij het raam. Ik had uitzicht op een paar herenhuizen met gevels waar de allure van afdroop. Ik maakte me een voorstelling van de bewoners en stapte als het ware door hun vertrekken.
‘Goedemorgen, zegt u het maar,’ zei de serveerster die ineens naast me stond en een vermoeide indruk maakte. Haar kastanjebruine haar hing er wat slapjes bij en vage contouren van wallen waren zichtbaar. Maar ze kon het hebben, ze was nog jong.
‘Heb je het laat gemaakt vannacht?’ vroeg ik haar. ‘Wat gaat u dat aan?’ reageerde ze vinnig.
‘Het spijt me, daar heb je gelijk in. Maar ik vroeg het uit medeleven. Je mag van mij wel even gaan zitten, dan serveer ik wel voor je.’
De vrouw keek me verbaasd aan en daarna lachte ze.
‘Grandioos idee! Ik zit al. Hier heb je mijn bloknootje en potlood. Er zijn maar een paar klanten. Neem zelf ook wat, op kosten van de zaak. De bazin is er toch niet.’
‘En je schortje’, wees ik naar haar kraakheldere voorschootje.
‘Ja, die mag je ook lenen’, en ze trok de strik los. De stof leek gesteven.
Al snel had ik de smaak te pakken. Ik schonk thee en koffie en plaatste taartjes op chique schotels. De klanten leken tevreden en de serveerster knapte een uiltje. Haar hoofd viel een beetje scheef. Ik schoof er een kussentje onder en ze glimlachte dankbaar in haar slaap.
Nu rinkelde de deurbel. Een grote man van een jaar of veertig, met een stevige bos zwart haar, stapte op mij af.
‘Goedemorgen. Ik zag u daarnet nog aan een tafeltje zitten, al starend naar mijn huis aan de overkant, en  nu loopt u hier met een schortje voor! Ik raakte ervan in de war en wil graag weten hoe dat zit.’
‘Ach meneer, u hoeft niet in de war te raken. Ik heb het werk overgenomen van de serveerster. Ze was een beetje moe. We hebben allemaal pauzes nodig in het leven.’
‘In dat geval, doe mij maar een zwarte koffie en een flinke mokkapunt,’ deed hij zijn bestelling terwijl hij plaatsnam aan een rond tafeltje in het midden van de zaak.
‘Komt in orde.’
Net toen de man genoot van zijn sterke koffie en de gebaksvork daadkrachtig in de taart plantte, werd de serveerster wakker. Ze nam de mensen aan de tafeltjes op, totdat haar ogen op die van de man van de mokkapunt rustte. Al snel was hij zich ervan bewust dat hij werd gadegeslagen.
‘Jij hier?’ vroeg ze. Het klonk scherp.
‘Ja, ik hier,’ murmelde hij met zijn mond vol.
Ik ontdeed me van het schortje , liep op de vrouw af en gaf het aan haar terug.
‘Dank je,’ zei ze tegen me. ‘Ik ben er van opgeknapt. Kan ik je nog ergens mee van dienst zijn? Potje thee?’
‘Nee hoor, het is goed zo,’ verzekerde ik haar. ‘Ik heb twee kopjes thee op en drie bonbons verorberd. Ik ga zo maar weer ‘s.’
De vrouw streek haar schort glad en daarna haar kapsel. Met de schouders naar achteren en de boezem recht vooruit liep ze op de grote man af. Ik besloot nog even te blijven.
Toen ze voor hem stond, keek hij niet op. Dit wakkerde het temperament in haar aan.
‘Je vork graag’, beval ze. Hij keek geschrokken naar haar, nog met volle mond, en gehoorzaamde meteen.
Ze griste de vork uit zijn hand en smeet ‘m op tafel. De pets die ze hem met vlakke hand op de wang gaf, echode na in de ruimte, alsof het bij deze ochtend hoorde. Daarna veegde ze met een servet de brokjes taart van zijn revers en van de tafel, verzamelde het servies op een dienblad en liep ermee naar de keuken.
De man bleef verbouwereerd achter. Droeviger had ik een mens niet zien kijken. Ik liep op hem toe en stak mijn hand uit. Als een kind legde hij er zijn grote knuist in. Zo begeleidde ik hem naar buiten, hielp hem oversteken en hield halt bij zijn voordeur. `Heb je je sleutel?’ vroeg ik. Hij deed een greep in zijn broekzak en viste er een sleutel uit die een roze plastic hoedje droeg. De hand op mijn schouder was warm en zwaar. Zeker een halve minuut lang plantte hij zijn blik in mijn ogen. Daarna zuchtte hij diep en verdween naar binnen.

 

Huilende hopjes

Rationeel Haags hopje. Houdt het hopjeshoofd koel.

Da’s nou ook wat. De Haagse hopjes zijn weg uit Nederland! Zo’n hopje, waar ik vroeger menig stukje melktand op brak. Ze worden nu gemaakt  in de Italiaanse stad Cremona, las ik in de krant. Het waren nog wel van die oer-Hollandse snoepjes, als zodanig overal gepresenteerd en dat sedert de 18e eeuw. En dan nu plotsklaps verdwenen? Daar moest ik het mijne van weten. Ik reisde onmiddellijk af naar Cremona. Daar stuitte ik bij de fabriekspoort meteen op een stelletje huilende hopjes. Hun Koninklijke verpakking hing er vochtig en flarderig bij. Ze waren daardoor nagenoeg onherkenbaar. Ik haalde m’n vinger langs wat bruine tranen, proefde het genoegen van weleer en vroeg wat er aan de hand was.

‘We willen er uit, terug naar Nederland’, snikte er een.
Ik opende het hek. ‘Niet direct weggaan’, hield ik ze staande. ‘Ik kom juist kijken hoe jullie het hier hebben. Waar zou je trouwens heen moeten in ons land? Huisvesting kan je wel vergeten.’
Onder hen was één verstandig hopje, dat de hele tijd probeerde zijn rationele instelling op de anderen over te brengen. Hij deed verslag.
‘Het is ook wel begrijpelijk dat wij hopjes en hoppinnetjes in de war zijn. Eeuwenlang zetelde onze fabriek in Den Haag. Logisch, daarom heten we ook Haagse hopjes. Op een dag echter, werden we wakker in Sneek. Daar keken ze raar op van ons Haagse accent. En wij konden die Friezen helemaal niet verstaan. Nou ja, alles went, dus uiteindelijk leerden wij een tikje Fries en zij een beetje Haags. Om dan nu Italiaans te moeten leren, dat is te veel van het goede. Daar raken sommige gevoelige hopjes danig door van streek.’
Ik knikte, ter illustratie dat ik het begreep.

‘Krijgen jullie nu ook een andere naam?’ vroeg ik hem.

‘Daar heb ik wel iets over gehoord. Dan zou er een scheiding aangebracht worden tussen Haagse hopjes voor de Nederlandse/Vlaamse markt en de Luppalina Cremona voor Italië. Da’s helemaal funest voor ons zenuwgestel. Dat kunnen we niet aan.’

‘Kalm maar, ik kom zo met een oplossing,’ suste ik en beende met grote passen naar de fabrieksdeur. Ik liep linea recta op de directeur af –herkenbaar door zijn Haagse hopjespet- en vertelde hem over het leed dat de hopjes was aangedaan door deze verhuizing.

Al snel huilde hij tranen met tuiten, want het was een gevoelige Italiaan. Na beraad besloten we dat we de hopjes zelf zouden laten kiezen. Wie wilde, kon in Italië blijven. Want die had je ook, hopjes die het klimaat zalig vonden en niet meer taalden naar Nederland. En wie heimwee had kon terug, met mij, naar het ouwe trouwe Nederland.

We werden uitgezwaaid door een groep al een beetje ver-Italiaanste hopjes. ‘Ciao!’ knisperden ze in de hete zon. Met precies de helft van de hopjespopulatie in mijn auto reed ik terug naar Den Haag. Daar vond ik al snel onderdak voor ze. Ik ging er zelf mee aan de slag. Probeer maar ’s snel van die heerlijke Haagse Alicehopjes, die u thans in zo’n gezellige puntzak koopt!

Gepubliceerd op Your Wonderland, 2012

Allemaal uit de kast!

Het was ‘Imprimatur’ van Monaldi & Sorti dat geïrriteerd heen en weer schoof. Ik was met de boekenkasten bezig. Afstoffen, rubriceren, dat werk. Een theatraal hoestje trok mijn aandacht.

‘Is daar iemand?’ vroeg ik.
‘Ja, wat denk je. Je hebt honderden van ons afgestoft. Is daar iemand, tssss.’ Het was de mannelijke helft van het schrijversduo.
‘Je klinkt geïrriteerd’, merkte ik op terwijl ik over zijn rug streelde.
‘Vind je ’t gek, ik krijg iedere keer een lading stof in mijn gezicht. Je werkt inefficiënt.’
Arrogantie was hem niet vreemd. Ik snapte dat wel. Hij komt uit de categorie hoogste kwaliteit literaire thrillers. De schrijvers zijn er zélfs voor uit Rome verbannen.
‘Jij bent straks aan de beurt. Dan mag jij uit de kast.’
‘Wie zegt dat ik zo nodig uit de kast wil komen?’

‘Jullie hebben niet zo veel te willen, ik trek jullie gewoon uit de kast.’
‘Iedereen moet maar met van alles uit de kast komen tegenwoordig, ‘ riep The Works of Oscar Wilde vanaf de bovenste plank. ‘Dat was in mijn tijd héél gevaarlijk.’
‘Ja Alice, laat ons toch lekker staan’, vond Bonita Avenue. ‘Even plumeautje erover en klaar.’
‘Ja, jij bent snel klaar, Buwalda. Jij staat er nog maar net. Nauwelijks een stofje te zien!’ beet De Avonden van Reve hem toe.

‘Dat uitgerekend jij ook moeite hebt met uit de kast komen…’ giechelde Verlovingstijd van ’t Hart.
‘Hou je kop, jaren vijftigschrijver!’ riep Campert Compleet.
‘Ik word geloof ik een beetje misselijk,’ klaagde De Kleine Dokter van Vogel.
‘Heren, heren, ik hoor geen enkel damesboek hoog van de toren blazen. Dit typeert u,’ vond Indiana van George Sand.
‘En nu als de wiedeweerga meewerken met Alice en uit die kast allemaal!’ beval Anna van Van der Zijl.

Het bleef ineens doodstil. Ik pakte er drie tegelijk bij kop en kont en ragde de stofdoek erover heen.

Zondeval

Ik ging op visite bij een grote vrouw. Zij is niet een beetje lang, zoals een mannequin, maar echt groot, op alle fronten. Ze liet me binnen in haar appartement met uitzicht op zee maar mijn blik werd direct weer naar binnen getrokken. Verwonderd keek ik om me heen. Was ik gekrompen? Ze zag mijn verbaasde blik.

‘Ja meisje, ik houd van ruimte om me heen. Dat heb ik ook wel nodig,’ vertrouwde ze me toe en lachte twee rijen megatanden bloot. Op haar verzoek nam ik plaats op een van de fauteuils bij een breed venster waardoor de zon uitbundig naar binnen scheen. Vanuit de keuken hoorde ik het koffiezetapparaat pruttelen. ‘Ga maar lekker zitten, ik kom zo.’

Dat kwam goed uit, dat ze even uit het zicht verdween. Nu kon ik tenminste onbekommerd de boel in mij opnemen vanuit de hoge zetel die ik met moeite had ‘genomen’. Mijn benen bungelden zeker veertig centimeter boven de grond.

Ik zag planten. Ze had de grootste exemplaren die er bestaan bij het tuincentrum weggesleept. Het meubilair leek voor een reus gemaakt, dat was zelfs voor deze vrouw overdreven. Ah, daar was ze weer.
Met moeite slurpte ik de koffie uit de extra large-kom naar binnen. Alsof ik een emmer moest leegdrinken. Toen ik dit voor elkaar had, verklaarde ik plompverloren: ‘Ik moet plassen,’ en vroeg: ‘Waar is de wc?’

Omdat ze niet alleen groot, maar ook deftig is, antwoordde ze: ‘Als je je blaas moet ledigen, het toilet is in de gang, tweede deur links.’
Ze verdween weer naar de keuken. Een echte koffiezuiper was ze, deze reuzin. Ik sprong uit de stoel en ondernam de tocht naar ‘het toilet’.
Wat een schrik! Hier stond de grootste wc-pot ooit! Ik sloot de deur en bekeek mezelf in de spiegel die van onder tot boven een muur besloeg. ‘Onberispelijk’, mompelde ik, en: ‘Vooruit met de geit.’ Ik liet mijn barokke babydollachtige onderbroekje zakken, greep de bril vast aan beide zijden en hees mezelf omhoog. Dit deed ik iets te frivool want nu hing ik in de pot. Dat maakte me nerveus. Mijn handen gingen er van zweten en even later gleden ze pardoes van de bril af. Nu verdween ik in zijn geheel in het kolossale closet en lag ik in een ongemakkelijke positie met mijn billen in een laagje water. Zou ik thans toch maar plassen dan? Maar het lukte niet, mijn sluitspieren waren volop in training voor de zondeval. ‘Help!’ riep ik dus maar, twee keer.

‘Alice! Wat doe je?!’ denderde haar harde stem door de gang.

‘Ik zit in de pot!’ piepte ik.

‘Je hebt de deur afgesloten, gansje!’ Ze beende weg. Een paar minuten later, met de schroevendraaier nog in een van haar kolenschoppen, staarde ze verbouwereerd naar mijn benen die inmiddels recht omhoog stoken vanuit de pot. Doortastend was ze zeker want ze greep ze vast en hees me eruit. Van opluchting ontspande ik. Hierdoor liet de uitgestelde urinedrang zich niet langer meer aan banden leggen. Vrolijk kletterend vormde zich op de zwart-wit geblokte vloer een plas. Zo groot, dat hij niet misstond in deze ruimte. Mijn reuzengastvrouw keek er even gefascineerd naar, draaide zich resoluut om en verdween uit de wc. Voordat ze de deur sloot riep ze opgewekt:‘Nu kan er wel weer een kommetje bij, toch Alice?. Ga ik even zetten!’

RUE DE SEINE

Ik stond oog in oog met fragiele kunstwerkjes van gebouwen, stegen en straatverkopers bij de tentoonstelling ‘Eugène Atget vieux Paris’ in het Fotomuseum. Atget fotografeerde rond het jaar 1900 bij het ochtendgloren het oude, nog niet gemoderniseerde Parijs.

De geportretteerde fotograaf zelf, uitvergroot tot een reus, keek op dit alles neer.
Al snel ging ik volledig op in het Parijs van dik een eeuw terug. De kracht van mijn verbeelding mag best indrukwekkend genoemd worden. Ik stond op de hoek van de straat, rook de geuren en ervoer de geluiden van het voorzichtige op gang komen van een wereldstad..

Je zou denken dat ik gek was, maar ineens hoorde ik een rocheltje naast me die de aanloop naar een vraag of opmerking verried.

‘Pardon, als ik u niet ontrief, kunt u een klein stapje opzij doen?’
‘Uiteraard, mijnheer’, antwoordde ik beleefd, nog voordat ik de man naast me observeerde.
Nadat ik mijn positie had aangepast naar zijn wens, zag ik dat hij geroutineerd in de weer was met een ouderwets fototoestel. Met een schok realiseerde ik mij de gelijkenis met de fotograaf van de foto’s die ik aan het  bekijken was. Maar toen ik, om dit te checken, mijn blik  bewoog naar zijn portret aan de wand van het museum, was deze nergens meer te zien en de tentoonstellingszaal zelf ook niet. Ik stond in de straat van de foto, ‘Rue de Seine’ las ik op het bordje aan de gevel.

‘U bent toch niet de heer Atget, de beroemde fotograaf?’
‘Jazeker, ik ben Atget. Beroemd? Dat lijkt me overdreven.’
‘Zo formuleren ze uw status anders wel op de tentoonstelling.’
‘Welke tentoonstelling?’
‘In Rotterdam, in het Fotomuseum. Ik was er net nog, maar ben nu in een ander decor terecht gekomen, dunkt mij.’
‘Rotterdam? Nederland? Ik heb daar nog nooit geëxposeerd.’
‘Nee, toen niet, maar nú wel. Het is 2011, u bent al 85 jaar niet meer in aardse sferen. Wat doet u hier eigenlijk?’

De man keek zo verbaasd, dat ik doordrongen raakte van de surrealistische situatie waarin we ons bevonden.
‘Ik bestudeerde een van uw fotografieën en zo kwam ik hier.’
Hij schudde zijn hoofd maar bleef  voorkomend. ‘Straks gaat de straat leven, komen de mensen. Ik moet nu een paar beelden schieten’, verontschuldigde hij zich.
‘Mag ik kijken?’
‘Jazeker. Als u kunt aanvaarden dat ik enige tijd niet met u spreek.’ Ik knikte en aanschouwde vervolgens al zijn handelingen.

Toen hij uiteindelijk tevoorschijn kwam vanonder de zwarte doek vertelde ik hem: ‘Wij hebben nu heel kleine cameraatjes waar je heel veel digitale foto’s mee kan maken en die kan je dan gelijk naar iemand verzenden en….’
‘Halt!’ riep Atget uit. ‘Ik wil niets van uw eeuw weten.’
‘Parijs ziet er nu ook totaal anders uit. U zou uw ogen niet geloven.’
‘Dame, wat ik door de lens zie, daar geloof ik in. Dat is voor mij genoeg. Ga ’s mee, als u wilt.’
Omdat ik niet tegenstribbelde, dirigeerde hij mij naar een steegje dat ongetwijfeld een perfect Atget-plaatje zou opleveren.
‘Ga hier staan’ beval hij vriendelijk. ‘Magnifiek , blijf leunen tegen die muur.’
Zo werd ik, vrouw uit het digitale tijdperk, vereeuwigd in het Parijs waar de wulpse dampen van de belle epoque nog maar net waren opgestegen.
‘Bonjour, monsieur Atget!’ kraste een bejaarde Parijse madame die zojuist de luiken opengooide. Daarbij stootte ze een Franse geranium om die ik niet meer kon ontwijken.

Gelegen op een brancard in het kantoor van het museum keken drie paar ogen bezorgd op mij neer. Ik was op de vloer aangetroffen, vertelden ze, voor de foto van de rue de Seine. En nu had ik een bult op mijn hoofd.
Toen ik vertelde dat ik zojuist in een Parijs steegje was vastgelegd door Atget himself, hoorde ik mompelen: ‘Ze moet toch maar even naar de eerste hulp.’

 

Grafsmoelen

Ik liep op straat. Daar zag ik veel gezichten met de mondhoeken naar beneden. Sommige gezichten stonden boos maar er waren ook gelaatsuitdrukkingen die meer bij zwaarmoedigheid pasten.
Omdat ik zelf tamelijk opgewekt was die dag, kon ik dit niet passief over me heen laten gaan. De eerste de beste sombere passant deed ik met een subtiel handgebaar stoppen.
‘Wat wilt u van me?’ vroeg de grijze, rimpelige man.
Ik gaf hem mijn zonnige lach en antwoordde: ‘Ik wil u iets vragen, mag dat?’
‘Nou vooruit dan maar, omdat u U zegt. Dat maak ik niet vaak meer mee tegenwoordig.’
‘Is dit de reden dat u niet zo vrolijk kijkt?’ vroeg ik voorzichtig.
‘O, is dat zo? Zie ik er niet zo vrolijk uit? Dat kan eigenlijk wel kloppen, want ik ben niet vrolijk. Maar wat is vrolijk? Moet ik hier uitzinnig een dansje doen dan?’
Zoveel tekst achter elkaar had ik niet verwacht. Ik moest even nadenken.
‘Nu kijkt u zelf ook niet zo vrolijk meer, om uw eigen woord te gebruiken.’ Hij keek me ondeugend aan en draaide even om zijn as. Dit trok de aandacht. Binnen no time stonden er mensen om ons heen. Ze keken allemaal een beetje somber of boos. Maar ze waren wel nieuwsgierig, de depressie had nog niet volledig toegeslagen.
‘Wat moet dat hier?’ vroeg een vrouw met pikzwart geverfd haar.
‘Mevrouw hier bevraagt mensen op straat over hun gemoedstoestand’, legde de oudere heer uit. Hij had het helemaal overgenomen.
‘O ja, wil je weten hoe ik me voel, wijffie?’ vroeg de zwartgeverfde. ‘Knap klote, ja, zo is het. En met al die grafsmoelen van jullie d’r bij wordt dat alleen maar erger. Daag!’ En ze liep verder.
Ik schaterde het uit. ‘Grafsmoelen, hahaha!’  Daarop volgde de rest. Het werd een waar lachspektakel. Ik piste bijna in mijn slip. ‘Ik ga gauw naar de plee. Leuke dag allemaal!’ riep ik.
Na het wc-bezoekje in een cafeetje keek ik snel naar rechts. Ze waren er nog, het hele groepje, ik zag ze op de rug. Ze liepen nu hand in hand en zongen een lied. Ik tekende een smiley op de met fijnstof bedekte caféruit en huppelde naar huis.

Zware stem

Sir Henry

Het was in Wales, in het immense park van een kasteel. Ik wandelde daar met Wolfart.
In Engeland en Wales voel je , meer dan elders, op sommige plekken de mystiek in de lucht hangen. Je ziet de druïden en hun rituelen bijna voor je ogen verschijnen.
Toch, wat ik nu op mijn pad vond, had ik niet zo snel verwacht. Het was zo’n verborgen paadje, waar je snel overheen kijkt. Maar ik zie alles. Ik kijk bijna nooit ergens over heen.

‘Good afternoon’. Een zware stem, maar niet eng. Wolfart was direct alert. Toch maakte hij geen aanstalten om in de verdediging te gaan. Goed volk, wist ik daarom. Ik leunde even tegen een pracht van een oude eik en snoof de heerlijke bosgeuren diep op.
‘How are you?’
De eik trilde. Het leek wel alsof het geluid uit de boom kwam. En ‘t was nog waar ook. Toen ik omhoog keek, zag ik dat de reuzeneik een gezicht had. Zijn mond bewoog overduidelijk toen hij mij toesprak.
‘Excuse me, I have to introduce myself. I’m Sir Henry Sprawlington-Bough.’
Ik was niet eens verbaasd. Het leek me eigenlijk heel normaal dat hier een sprekende eik woonde.
‘Hi there, oak! You’re speaking so grandly.’
‘Yes. In fact, I’m very English, but they put me in the grounds of Wales. How are you?’ vroeg hij opnieuw, en voegde er aan toe: ‘And who are you?’
‘I’m Alice. I’m fine, thank you. And you? Are you okay?’
‘O Yes, I’m 150 years old. I’ve seen so many animals, people and plants in my life. Never a dull moment. But now, I miss people. Visitors can’t see the path anymore. The gardener is a bit lazy, I suppose.’
‘I’ll help you’, beloofde ik.
‘How kind of you, Alice. Thank you so much!’ Hij kuste een beetje in de lucht met die witte lippen van hem. Ik blies vanaf mijn hand een zoentje naar hem toe. Daarna liep ik rechtstreeks naar het kantoortje van de meneer die daar over alles gaat. Daar deed ik mijn verzoek namens Sir Henry. De man schrok, maakte zijn verontschuldigingen en beloofde er snel iets aan te doen.
Een week later nam ik nog eens een kijkje. Diverse routebordjes met felrode pijlen verwezen naar de plek waar de oude eik stevig geworteld in het eeuwenoude park staat. Er stond een hele familie omheen. Sir Henry beantwoordde al hun vragen.

 © 2011

Kwispelen

Vannacht had ik een rare maar vrolijke droom. Ik bevond mij in zo’n ouderwetse tearoom, waar de sfeer ingetogen is en men in stilte geniet van fantasierijke hersenspinsels.
Ik bestelde daar een heerlijke kukicha-thee met een paar petitfourtjes erbij. Wolfart lag naast me en bekeek vol interesse de mensen in de zaak. De glazen roedeverdeelde deur was gesloten. Er functioneerde een ouderwets belsysteem.
Nu kwam er een oude vrouw binnen. Het rinkelde en tinkelde dat het een lieve lust was. ‘Goedemiddag samen.’ Haar uitspraak had grandeur, ze knikte iedereen vriendelijk toe. Dit kostte haar enige moeite. De tand des tijds had haar rug lelijk doen krommen. Met moeite kon ze haar medemens aanzien. Haar zicht zou extra belemmerd kunnen worden door de enorme neus, peinsde ik in de droom. Deze blikvanger verleende haar overigens een uitzonderlijke charme.

‘Goedemiddag mevrouw’, reageerde ik beleefd. Met mij mompelden nog enkele klanten ‘goedemiddag’. Wolfart stond op en begon te kwispelen. De vrouw liep daarop naar haar toe. ‘Ah, mon cherie, wat ben je mooi!’ riep ze uit.
En toen gebeurde het. De kokkerd van mevrouw begon enthousiast te bewegen, slingerend van links naar rechts. Haar neus kwispelde!
Ik schoot in de lach, met een ‘pardon’ erachteraan.
‘U hoeft u niet te verontschuldigen’, zei ze, terwijl ze Wolfart aaide. ‘Zo lang ík mijn neus niet stoot, kunt ú doen alsof uw neus bloedt.’
Zoals het in dromen gebeurt, veranderde het beeld à la seconde en liep ik op straat in een drukke stad. Het trottoir wemelde van de mensen met kwispelende neuzen. Sommige neuzen maakten een neerwaartse beweging en de monden stootten klanken uit. ‘Het komt me mijn neus uit’, zei de een. ‘Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht’, declameerde de ander. ‘Steek je neus toch niet in mijn zaken!’ riep een man verontwaardigd uit naar de vrouw naast hem.
Ik verbaasde me over de gemoedstoestand van de hedendaagse mens. Het kwispelde er lustig op los. Ik reageerde door ook met mijn neus te kwispelen. Het voelde aangenaam. Alsof er een frisse wind door mijn gelaat woei. Dan stond daar een reusachtige man voor mijn kwispelende neus. ‘Hallo’, zei hij. ‘Ik geloof dat ik hier met mijn neus in de boter val.’
Ik keek naar zijn uitwendige orgaan. Er gebeurde niets. Op dat moment werd ik wakker. Helaas.

© 2011