Engelenhuwelijk

Foto: Wilke Vos

Het schemerde, toen ik met Wolf een rondje door het park maakte. Aan de heldere hemel lichtten de contouren van de maan op. Het kwik schommelde rond het vriespunt, er stond nagenoeg geen wind en de sfeer in het park was vredig.

We liepen er helemaal alleen en ik was daarom verbaasd toen ik op een bankje een gestalte ontdekte. Wolf vestigde er mijn aandacht op door de koers te bepalen. Dichterbij gekomen zag ik een man van zeker tachtig jaren oud. Hij had zijn handen in zijn schoot en staarde voor zich uit. Ik zag nu dat er op zijn rechterwang een traan was blijven steken. Over zijn linkerwang had een andere traan een langere weg afgelegd. Die hing als een dapper ijspegeltje aan zijn kin.
De man maakte echter geen droevige indruk, maar soms beefde hij als ijle dravik. Die dravik, dat heb ik van Maarten ’t Hart.
‘Mag ik naast u komen zitten?’ vroeg ik hem. De oude heer keek me aan, glimlachte en knikte. Wolf ging naast hem zitten en legde zijn kop op zijn knie. De man aaide hem over zijn kop. Hij had doorleefde tengere handen, met kromgegroeide vingers. Zijn profiel classificeerde ik als ‘klassiek’.
‘Ik wacht op de engelen’, zei hij zacht voor zich heen.
‘Komen die naar dit park?’ vroeg ik nieuwsgierig.
Ik schoof wat dichterbij. Omdat hij weer beefde, legde ik mijn sjaal over zijn schouders.
‘Ik was getrouwd met een engel’, verklaarde hij.
‘Ach.. u had een lieve vrouw..’
‘Nee, een engel.’
‘Een échte engel?’
‘Ja’.
We zwegen een poosje. Wolf bood de man zijn poot aan. Ik schoof nog iets dichter naar hem toe.
‘Bent u zelf soms ook een engel?’ vroeg ik.

Doornen en wonderen

De man en ik keken elkaar lange tijd aan.
‘Of ik zelf een engel ben? Nee, ik ben geen engel’, gaf hij ten slotte op kalme toon antwoord op mijn vraag. ‘Jij lijkt me een engel’, voegde hij daar aan toe.
Ik giechelde. ‘Ik? Nou eh, als u me soms zou horen vloeken…’
‘Mijn engelenvrouw heette Alice’, verklaarde hij en keek me daarbij onderzoekend aan.

Ik moest er even van op adem komen en stond op van het bankje. Na twee ijsbeerrondjes nam ik weer plaats op de bank.
‘Goh zeg, dat is ook toevallig, zo heet ik ook.’
‘Het levenspad is vergeven van doornen maar tevens geplaveid met wonderen’ wist hij.
‘Ik geloof u graag.’
‘En men lult alleen maar over politiek’, leek dit gesprek ineens een andere wending te krijgen.
‘Zei u ‘lult’?’
‘Ja, pardon.’
‘Nee, nee, geen excuses. U bent geen engel dus wat maakt het uit.’
‘Mijn engelenvrouw had ’t ook wel ’s over lullen hoor’ liet hij mijn vrome beeld over engelen in scherven vallen.
‘Het belang dat men thans aan politiek hecht, verduistert alle wonderen. Niets krijgt meer een kans. Daarom gooide ik dat eruit.’
‘O’. Ik dacht hier over na en staarde voor me uit. Ik vroeg de oude man opnieuw of de engelen naar dit park kwamen.
‘Dat zou kunnen. Ik roep ze elke dag aan. Niet speciaal mijn vrouw hoor.’
‘Is uw vrouw overleden?’
‘Nee, een engel kan niet overlijden.’
‘Nou u het zegt. Maar, waar is ze dan gebleven? Want u spreekt in de verleden tijd over haar.’
Omdat een antwoord op zich liet wachten, keek ik opzij. De man was verdwenen. Ik schrok. De duisternis was volledig ingevallen, maar door de takken van de bomen zag ik een helder licht heen en weer dansen.
‘Meneer, waar bent u nu toch…?’

Gezicht in hondenvacht

Nu zag ik Wolf ook niet meer. Mooie boel was dat. Alleen in een donker park, daar droomde ik al jaren van.
Angstig keek ik om me heen. Ik floot. Er gebeurde niets. Ik floot nog twee keer. Stilte. In de richting van de bomen hoorde ik het knisperen.
‘Wolf! Ben je daar?!’ riep ik blij.
‘Nou, we zijn met z’n vijven als je het niet erg vindt…,’ klonk het vanuit het duister.
Daar doemde Wolf op. Op zijn rug lag, voorovergebogen, de oude man. De favoriete manier van mijn hond om mensen te vervoeren, mits niet boven de vijfenzestig kilo. Achter hen zweefden een paar blauw-witte gestalten.
‘Het zou goed voor mijn zenuwgestel zijn, als u dit even aan mij uitlegt’, zei ik terwijl ik hem de hand reikte.
‘Ik begrijp er zelf ook niets van,’ verklaarde hij. ‘Ik sukkelde weg, kwam in dromenland aan, ontmoette de engelen en ineens lag mijn gezicht in een hondenvacht.’
‘Dus die zwevende gestalten om u heen zijn engelen?’
‘Inderdaad’, bevestigde hij mijn vermoeden.Warempel, er kwam er nog een aanzweven, die vlak achter hem heen en weer bleef dansen.
De man draaide zich om en riep toen uitzinnig: ‘Alice! Je bent er ook! Wat een verrassing!’
Voor de duidelijkheid: Hij had het niet tegen mij maar tegen zijn ex-echtgenote. Hun gesprek duurde zo lang, dat ik maar weer op het bankje ging zitten en in slaap viel. Ik droomde dat ik in een park liep, waar ik een oude man ontmoette wiens vrouw een engel bleek te zijn. Ze tikte zachtjes op mijn schouder en fluisterde: ‘Zullen we ruilen?’

© 2010