Blog

“Als het aan mij lag, gingen de decibellen op de bon”

Vlieg-, weg- en waterverkeer, landbouwmachines, groenonderhoudattributen en fabrieken produceren dagelijks een enorme hoeveelheid geluid. Decibellen, voortgebracht door elektronische muziek, zijn vaak van een gewelddadig volume: discotheken, concerten met torenhoge geluidsboxwallen, de ‘boomingsystems’ die over de weg dreunen en de stereo-installatie van de buurman. Kortom: een leven, vergezeld door lawaai. Veel mensen lijden daar onder. Muzikant/zanger/componist/tekstschrijver/artiest Joost Belinfante is daar een van. Zo ontstond het idee voor zijn tiendelige serie cd’s ANTILAWAAI, een organische resonantiecompensatie.

Terwijl ik over de snelwegen raas, op weg naar de woning/studio van Belinfante, mijmer ik over stilte. Ik denk aan mijn laatste vakantie op die rustige camping in Frankrijk, waar slechts de koeien af en toe een tevreden loei lieten horen, de krekels er lustig op los tjirpten en de vogels ieder hun eigen lied zongen. Op een dag werden al deze natuurgeluiden overstemd door een hels kabaal. De grasvelden waren aan een beurt toe en dat hebben we geweten. Dagenlang. De tijd van de zeis, in een perfecte cadans voortbewogen door sterke, gebruinde armen, is voorbij. Schriele personen, getooid met levensgrote gehoorbeschermers, chaufferen het maaivoertuig.

Kwelling
Joost Belinfante (56) weet er alles van. Eens woonde hij heerlijk afgelegen op een boerderij. Totdat men er in de buurt een nieuwe weg aanlegde, toen werd het al minder fijn. Maar pas echt rustverstorend was zijn buurman, een boer die vergroeid was met zijn tractor. Nu woont hij aan een stadse laan die een paar jaar terug als doorgangsweg werd aangewezen.

Op zijn website geeft Belinfante regelmatig zijn visie op actuele zaken of is er een klein verslag van iets wat hij zojuist heeft ervaren. Het thema ‘geluid’ komt regelmatig aan bod. Zo trachtte hij onlangs een dagje bij te komen in het stiltegebied rondom het Drielandenpunt. Daar werd hij geconfronteerd met recreërende, lawaai producerende motorrijders die zich door ditzelfde stiltegebied begaven. Op zijn site vind je deze kwelling terug in een reeks foto’s van diverse motoren en het bord ‘Stiltegebied’. Zo doet hij iets creatiefs met zijn ergernis en kan hij de ervaring delen met de lezers van zijn digidagboek.

Reeks instrumenten
Als muzikant maakte hij op het podium mee hoe het geluidsniveau toenam. Belinfante richtte in de jaren zestig de akoestische band CCC Inc. op die op Nederlandse wijze folk en country muziek speelde. Tot die band behoorden onder meer Henny Vrienten en Ernst Jansz, die in de jaren tachtig Doe Maar oprichtten. Belinfante was onafhankelijk medewerker van Doe Maar. Hij schreef songs voor de groep –wie kent niet zijn ‘Nederwiedewiedewiet’-, speelde mee tijdens grote concerten en verleende zijn medewerking aan lp’s. Verder zat hij nog in diverse andere bands, speelde met bekende popmusici, trad op met theater- en dansgezelschappen –voorstellingen in de USA met goede recensies- werkt mee aan tv-programma’s als Klokhuis –waar hij muziekinstrumenten voor bouwde- , gaf masterclasses neusfluit en leverde zijn bijdrage aan kindertheater- en poppenkastvoorstellingen. Hij bespeelt een hele reeks instrumenten en is daar zeer bedreven in.

Als er dus iemand weet wat het hele spectrum aan geluiden voorstelt, ben jij het wel.
“Geluiden doen iets met een mens. Als je plotseling met lawaai te maken krijgt, heeft dat iets angstaanjagends. Wat dat betreft reageren wij net als dieren. Je hoort iets en je wilt eigenlijk wegrennen. Dus span je je spieren. En raak je gespannen omdat er niets te rennen valt.
Voor muzikanten is er op het podium nogal wat veranderd in de loop der jaren. Er zijn steeds meer decibellen bijgekomen. Vroeger had je het als band zelf in de hand; je draaide aan de knopjes van de versterker en dat was het. Het geluid wordt nu verzorgd via het public adress system. In de zaal zit een techneut en die regelt het volume. Op het podium heb je geen idee hoe het in de zaal overkomt. Techniek en muziek zijn van elkaar losgekoppeld. Vaak is het een pokkenherrie. Ikzelf ga nooit naar popconcerten en als ik op een feestje verkeer en de band gaat spelen, ben ik weg.”

Wat bracht jou tot het creëren en produceren van de ANTILAWAAI serie?
“Van al het lawaai dat in onze wereld wordt geproduceerd, heb ik veel last. Het is voor mij heel moeilijk om te werken, mij te concentreren en mijzelf te ontspannen in een omgeving waar ik met harde geluiden –voor mij lawaai- wordt geconfronteerd. Ik ben dus op zoek gegaan naar een manier om de herrie te kunnen reduceren. Daarvoor moest ik iets maken wat er gewoon is, zonder structuren, zonder dat het een emotie oproept. Het is er, meer niet.”

Dat klinkt mij niet als muziek in de oren.
“ANTILAWAAI is géén muziek. Het bevat geen structuren en het deelt noch de tijd, noch het hoorbare spectrum in afgepaste eenheden in. De serie cd’s die ik in gedachten had, moest aan een aantal eisen voldoen maar verder is het een toevalskwestie. Het eindresultaat is voor mijzelf een verrassing. Door de toets steeds iets anders aan te slaan, ontstaan er variaties. Ik maak hem zeer aanslaggevoelig en op die manier kan ik een toon hoger of lager laten klinken; dit eveneens om geen patronen te creëren. De tijdsduur van een bepaald geluid varieert ook; door hier verschuivingen in aan te brengen, klinkt het telkens anders. Ik stel de cd’s samen met speciaal geprogrammeerde elektronische geluiden op basis van de kennis der organische resonantie.”

Organische resonantie?
“Wij bestaan voor negentig procent uit water. Water geleid geluid en water wordt door geluid in trilling gebracht. Dat geldt ook voor ons. Ons lichaam, het organisme, reageert gedeeltelijk autonoom op die trillingen. Waarbij de geruststellende geluiden ontspannend werken en op geluiden die het organisme als bedreigend ervaart, reageert het lichaam met een verhoogde spierspanning. De bedoeling van ANTILAWAAI is om die spanning veroorzakende buitengeluiden op te nemen in een geruststellend geluidsdecor.”

Maar hoe kom je aan die kennis? Hoe wist je dat je het zo moest aanpakken?
“Ik heb veel nagedacht over geluid, mij daarin verdiept en erop gestudeerd. De gelijkzwevende stemming van de piano is in de tijd van Johan Sebastiaan Bach bedacht. Deze componist was de eerste die voor ‘das wohltemporierte klavier’ componeerde. Een octaaf wordt daarbij in twaalf gelijke stukjes verdeeld.

Het is zo dat iedere toon is opgebouwd uit een grondtoon en in meeklinkende boventonen. Het karakter van een toon –het verschil in klank tussen een viool en een klarinet bijvoorbeeld- wordt bepaald door het harder of zachter meeklinken van verschillende boventonen. Bij een muziekinstrument als de alpenhoorn worden alleen de boventonen tot klinken gebracht. Maar die boventonen houden zich niet aan de indeling in twaalf gelijke stukjes, de ‘mi’ en de ‘si’ zijn iets lager, de ‘fa’ is iets hoger. Een klavier dat op die manier ‘natuurlijk’ is gestemd, zweeft niet, maar je kan er maar in één toonsoort op spelen. Het menselijke lichaam resoneert net als alle andere materie op de ‘natuurlijke’ tonen. Met het gelijkzwevende klavier heeft men dus het directe resoneren, de onderbuikbewogenheid van de natuurlijke tonen, vervangen door de verstandelijke vervoering van de onbeperkte modulatie. In die zin zie ik het als het muzikale grondplan van de Verlichting.”

Dat klinkt nogal theoretisch allemaal.
“De natuurlijke tonen vond ik terug toen ik eens een stel oude mannen op de fiddle hoorde spelen. Ik dacht dat ze per ongeluk vals speelden maar toen ik er eens goed naar ging luisteren, merkte ik dat ze altijd hetzelfde doen, het hoort zo! Toen ik in een bandje zat met een Koerd en een Marokkaan, maakte ik kennis met de kwarttoon, die ze in de Arabische muziek gebruiken. De kwarttonen, die ik mij eigen heb gemaakt, ervaren wij in eerste instantie als ‘valse’ tonen.

In het Moatatal in Zwitserland zingt de bevolking volgens de préchorale traditie. Dit stamt uit de tijd van vóór Bach. Zij brengen slechts natuurlijke tonen voort met hun stembanden, één toon tegelijk. Zoals het geluid dat een alpenhoorn voortbrengt door de resonantie in deze buis. Zo’n toon is niet gelijkzwevend. Wij mensen resoneren ook niet gelijkmatig maar ‘vals’. Door natuurlijke harmonieën worden we veel dieper geraakt. Die vind je bijvoorbeeld in Russisch orthodoxe gezangen, ze spreken een mens lichámelijk aan. De twaalf grondtonen doen dat niet. Microtonaliteit is een mooi woord voor de niet gelijkgestemde geluiden die ik door middel van mijn computer maak.”

Er gaat een ontspannende werking uit van de ANTILAWAAI serie. Had je dit vooraf bedacht?
“Ik heb de cd’s ontwikkeld om mij af te kunnen sluiten voor lawaai. Het is een leuke bijkomstigheid dat het ook nog eens ontspannend blijkt te werken.”

De cd’s hebben mooie titels als ‘de kolonie’, ‘de branding’, ‘de steppe’ en ‘het oerwoud’, op de hoes vergezeld van een poëtische beschrijving. Bedenk je de thema’s vooraf?
“Nee, dat doe ik daarna. De geluiden die ontstaan inspireren mij tot een titel. ‘Het oerwoud’ bijvoorbeeld, is een algemeen warm geluidsmasker. ‘De steppe’ is goed tegen bonk- en dreunlawaai. Volume 8 is net klaar. Het is een aflevering van elektrostemmen. Het was mijn idee om geruststellend gebabbel te laten klinken. Als je het hoort, zou je zeggen dat het menselijke stemmen zijn, maar dat is het toch niet. Het was een heel gepuzzel om ze geruststellend karakter mee te geven.”

Hoeveel ANTILAWAAI’S ben je nog van plan te maken?
“Er komen er nog twee en daarna denk ik dat ik specifieke situaties ga behandelen. ANTILAWAAI speciaal tegen overlast van kraaiengekras of windmolengeraas, bijvoorbeeld.”

Denk je dat de mens zijn leef- en werkomgeving ooit weer eens stiller zal worden?
“Ik weet het niet, ik hoop het. Men heeft er niet echt belangstelling voor. Het lijkt wel alsof mensen geen stilte meer kunnen verdragen. Overal hoor je achtergrondmuziek. En als je de natuur opzoekt, is er ook altijd wel weer iets dat de stilte overstemt. Er hangt een grauwsluier over de meest idyllische plekjes. Ik ben er zeker van dat lawaai slecht is voor een mens. Als het aan mij lag, gingen de decibellen op de bon.”

Gepubliceerd in Europoort Kringen

GEEN VLUGGERTJE UIT DE AMERIKAANSE SCHOOL

 

DeVoorde, destijds in Laag-Zuthem

Jan de Dreu (bedrijfskundige) runde gedurende twintig jaar een organisatie- en adviesbureau in Rotterdam. Hij kwam in die tijd bij tal van ondernemingen waar de boel was vastgelopen en trad daar op als interim-manager, projectleider of reorganisator. Jaar in jaar uit was De Dreu bezig met het invoeren van systemen, iets waar hij op een gegeven moment niet meer achter kon staan omdat de werkende mens als individu in dit verhaal ontbrak. Aan het begin van de jaren negentig – een nieuwe tijdgeest deed voorzichtig zijn intrede- verliet hij Rotterdam om op deVoorde groepstrainingen aan particulieren te gaan geven en sinds kort ook bedrijfstrainingen.

DeVoorde is Laag Zuthem (gemeente Heilo) is een team van stafleden dat programma’s aanbiedt waarbij aan zingeving gewerkt wordt. Deze zijn ontwikkeld door oprichter en inspirator Marcel Derkse die deVoorde in 1990 in Limburg startte. In 2000 verhuisde de hele staf naar Overijsel. Op landgoed Den Alerdinck, gelegen tussen bossen en landerijen, richt men zich op ontwikkeling en ontplooiing van mensen die een hoge kwaliteit van leven willen nastreven, zowel privé als op het werk. Iets, dat het hedendaagse individu aanspreekt want de inspiratieweken en jaarprogramma’s zitten binnen de kortste keren vol. Het viel De Dreu op dat er onder de bezoekers regelmatig (personeels)managers waren die het geleerde op de werkvloer in praktijk wilden brengen. Afgelopen jaar werd de stap gezet tot het ontwikkelen van een speciaal bedrijfstrainingprogramma.

Uniek wezen
De Dreu: ‘Het is de tijdgeest. Tot voor kort floreerden de collectieve systemen. Deze trend werd na de bezettingsjaren ingezet. Ook het runnen van een bedrijf gebeurde door middel van systemen. Op zich niet zo erg, maar het begrip is men ook gaan toepassen op de mens, zodat die ook in een systeem is gestopt. Jarenlang kon je daar geen vinger tussenkrijgen. Door ergens een systeem van te maken kreeg je er meer greep op en dat is efficiënt, zo dacht men.

Het rendement valt echter heel erg tegen. Mensen zijn geen systemen en willen niet als zodanig behandeld worden. Ik sprak eens met een bedrijfsarts, nog zo’n echte oude dokter. Binnen die onderneming was alles heel modern geregeld, vonden ze zelf. Er was een enorm protocol, van het moment van ziek worden tot aan de WAO toe, alles tot in de finesses geregeld. Echt iets waar de werknemers geweldig blij mee moesten zijn. Ik zat zo te luisteren en voelde me langzaam wegzakken; het deed allemaal zo kil aan. Op een gegeven moment kon ik me niet meer inhouden. “Wat erg voor die mensen”, reageerde ik. “Hoe ziet u het dan?” vroeg de dokter. Dus ik kwam met mijn verhaal dat de mens een uniek wezen is en dat hij bij ziekte niet behandeld wil worden als ‘iets’ maar als ‘iemand’. “Want als iemand ziek wordt, zit daar meestal van alles achter en dat kan je daar niet los van zien. Er is een lichamelijke klacht, maar je voelt aan je water dat er een hele wereld achter zit”, zei ik. Ik zag de man al een beetje opklaren. Want, zoals het een echte dokter betaamt, had hij een zesde zintuig voor dit soort dingen en voelde hij aan als er meer aan de hand was met een werknemer. “Ik dacht dat je dit in deze tijd niet meer mocht gebruiken,” zei hij. Het ambachtelijke in zijn vak mocht er ineens weer zijn.
En dat is wat ik bedoel met een bepaalde tijdgeest. Op een gegeven moment kwam er de schaalvergroting, kwamen de fusies. Dat is olie op het vuur van de systemen. Nog groter en abstracter. En over drie jaar zijn ze wéér anders gefuseerd.

Ook door de invoer van flexibele arbeid werk je tegenwoordig niet meer je hele leven bij één bedrijf. Dat brengt onzekerheid met zich mee. Het werkveld is zo groot en anoniem geworden, dat er geen houvast meer is. Daardoor worden mensen erg teruggeworpen op zichzelf. Je hoort nergens meer bij. Het is de ziekte van onze tijd, kun je zeggen. Als je denkt dat je ergens bij hoort, komt er een reorganisatie.
Hoeveel mensen zien pas een leven voor zich na hun pensionering? Werken is afzien, was het idee tot voor kort. Het is nodig, maar een opgave. Maar zo willen we het niet meer ervaren. Dat is het mooie van een tijdgeest; dan is het alsof de wind plotseling keert.

Coaching
‘In Rotterdam deed ik in de jaren tachtig een omvangrijk project met het Havenbedrijf, in samenwerking met een aantal containerbedrijven. De technologie werd nu eens niet als uitgangspunt genomen.We gingen het bedrijf vanuit een sociale benadering organiseren Dat was een doorbraak van je welste Daar kon je al aan voelen dat het tij aan het keren was. Voor het management was dit een hele ommekeer. Het ‘de mens moet zich maar schikken’ werd ter discussie gesteld door die sociale benadering.

Het project is gedeeltelijk geslaagd. Uiteindelijk was het niet vol te houden want ook een sociaal systeem is weer een systeem. Op de arbeidsmarkt houdt men zich gedeisd maar dat wil niet zeggen dat de mens zo is. Wij zijn er niet om ons te schikken naar de techniek. Daar is ook geen lol aan. Men loopt dan de kantjes ervan af. Iemand, die zijn werk met spirit en creativiteit doet, is beter dan de minimumvariant

De zwakte achter het project was, dat het sociale als een ontwerpgedachte werd gebracht. ‘Social Engineering’ heette het ook. Het was echter positief dat het idee van ‘de mens moet zich maar schikken’ werd doorbroken. Dat was een eerste stap in een andere richting. De bedrijfskundige en universitair docent Friso den Hartog heeft op dat gebied veel betekend. De twee universiteiten van Rotterdam en Amsterdam waren een krachtige stimulans in deze grote projecten, die met dit sociale ontwerp in de automatisering en haven werden ingezet. Het heeft het denken in managementsferen duidelijk veranderd, maar het zette niet alles op zijn kop.
In de Europoort leeft dat heel sterk, dat zoeken naar arbeidsproductiviteit via technologie. Er is echter een groot onderzoek in de procesindustrie geweest waarbij de factoren zijn gemeten die de productiviteit verhogen. Kenmerkend is, dat het welbevinden van de mens hoog scoort, niet de technologie. Iemand die slecht in zijn vel zit, produceert minder. Zorg dus dat die persoon het naar zijn zin heeft! Het hele begrip ‘coaching’ komt nu enorm op en dat is terecht.

Delicate manoeuvres
‘Hier op deVoorde werken we met de mens als individu. En dat is echt nieuw. De tijd is er nu rijp voor. Alles, waar we de afgelopen vijftig jaar mee zijn geconfronteerd en in zijn geconditioneerd veroorzaakt grote anonimiteit. De werknemer kan zich niet meer identificeren. Dat is tegennatuurlijk. Bedrijven redden het ook niet meer met het collectieve systeem. Je moet het nu hebben van de persoon, dus moet je je werknemers anders gaan opleiden en trainen.  Omdat we het echter zo gewend zijn, is het ook weer een enorme stap om over te schakelen. Want als je als individu wordt gezien, moet je gaan nadenken over wat je wilt. Vroeger gaf het bedrijf zin aan je bestaan. Je ging met z’n allen aan module 6 werken en dat was het. Nu moet je zelf zin geven aan het bedrijf. Wat wil ik? Waar sta ik? Wat is goed voor me? Dat soort vragen moet je je zelf stellen.

Het is voor beide partijen een grote klus, vergis je daar niet in. (Personeels)managers zitten met de uitdaging dat ze moeten leren kijken naar de persoon, wat inhoudt dat ze zelf ook niet meer anoniem kunnen blijven managen. Het is een gevoelige stap om het individu als ingang te nemen, want de manager moet zelf uit zijn façade breken.  Een directeur heeft doorgaans een groot ego en neemt dat heel serieus. Ik heb daar begrip voor; het zijn hele delicate manoeuvres. Daar moet je geduld mee hebben.
Het woord ‘loopbaan’ is iets van het individu geworden. Je moet je eigen loopbaan maken. Nu is het zo dat je meestal in teamverband werkt. Niet alleen op het werk maar ook thuis is er vaak een team. Daarin kun je ‘ik’ in ‘wij’ brengen. Je komt met je eigen persoon het team binnen. Eigenlijk zijn we het andersom gewend: wij doen het zo en de restpost is voor het ‘ik’. De neuzen allemaal dezelfde kant op. Gelukkig worden de verschillen groter, in plaats van ‘één pot nat’. Mensen worden ongelukkig van ‘één pot nat’. En ziek. Het is niet meer vol te houden. Het past niet meer in de geest van onze tijd. Kenmerk van onze trainingen is dat je begint bij het ‘ik’ en vandaaruit naar ‘wij’ gaat. Dat is omgekeerde teamvorming. Een bedrijf moet het  tenslotte hebben van het individu die heel zijn ziel en zaligheid verbindt met de onderneming.

Het feit dat een mens werkt, is buitengewoon gezond. Mits hij zelf verantwoording kan dragen, initiatieven kan nemen en zijn creativiteit kan gebruiken. Het proces omkeren zal veel tijd vragen. Want het is tenslotte ook fijn om in een hokje te zitten en geen risico te lopen. Het is eng om daar uit te komen. Toch zullen werkgevers wel moeten, want werknemers die in een hokje zitten, zijn defensief. Daar verdien je geen centen mee op den duur. Het inventief zijn heeft de mens in zich. In een team heeft ieder zo zijn eigen kwaliteit waarmee je elkaar aanvult.

Therapeutische mankementen
‘Toen ik voor mijn bureau in Rotterdam werkte en diverse ondernemingen van binnen en buiten zag, miste ik telkens weer het individu. Ik kon bakken met geld verdienen door systemen in te voeren maar op een gegeven moment kon ik dat niet meer. Ik wilde dit niet nog eens twintig jaar doen. Ik zag bij managers dat ze er ook niet gelukkig van werden. Ze waren opgevoed met de kwestie van de techniek. Maar het is mensenwerk. Hun aard was eigenlijk heel anders. Daar wordt iemand ongelukkig van.
Uit de macht der gewoonte was ik de eerste jaren directeur van deVoorde. Gezien mijn achtergrond liep dat zo. Maar eigenlijk kwam ik daar niet voor. Met veel moeite heb ik mij losgewurmd uit die functie. Want het trainingsaspect, dat was en is mijn lol. Daar zit ik nu helemaal in en daar ga ik niet meer uit. Nu probeer ik mensen te leren dat je vroeg of laat moet gaan doen wat je essentiële talenten zijn.

Het idee van de lerende organisatie is zo gek nog niet. Er is veel onzin uit Amerika gekomen maar wat dit betreft is het wel okay. Omdat je uit het hele idee van leren veel winst kan halen. De macht was vroeger verdeeld vanaf de top, met allemaal een eigen territorium en altijd gezeur. Als je zelf je eigen leven gaat ondernemen, verandert er veel. Als het om veranderingen gaat, geeft het bedrijfsleven de toon aan. De politiek moet vanzelf mee.

De lerende mens heeft eveneens zijn tekortkomingen. Maar dat hoef je niet als een therapeutisch mankement te beschouwen. Want dan krijg je weer dat geforceerde, met die assertiviteitstrainingen en survivalweekenden. Een leerproces gunt iemand zijn eigen tijd, in zijn eigen tempo, om zijn eigenheid te ontdekken.

‘Hoe gaat het met je?’
Ik gaf laatst een college voor een zaal vol managers. Daar mocht ik vijftig minuten vullen met mijn ‘het gaat om de mens, niet om de functie’ praatje. Ik raakte lekker op dreef. Nu bestaat het leven van die mensen voor een groot deel uit vergaderen dus ik zei op een gegeven moment: “Houd daar nu eens mee op”. Want het is een soort rituele dans, ze kunnen bijna niet anders meer. Het kost echter een hoop tijd en moeite, zonder veel rendement. Nu begreep ik zelf ook wel dat dit een te rigoureuze maatregel zou zijn dus opperde ik om de vergadering eens te beginnen met de vraag ‘hoe gaat het met je?’ Nou, dat sloeg in als een bom. De ene helft werd kwaad. Hier en daar stond iemand op om de boze reactie te beargumenteren. Maar er was ook een manager die zei: “Wat fijn dat u dit zegt. Ik doe dat zelf al heel lang zo. Maar omdat het geen managementtool is, durfde ik er niet mee naar buiten te komen.” Ze kreeg nu het gevoel dat het gelegitimeerd was wat ze deed. Ze vertelde dat de vergaderingen sinds deze aanpak half zo lang duurden. En daar geloof ik in. Omdat iedereen dan de kans krijgt even zijn sores te ventileren, of het nou over het werk of de privé-situatie gaat. Als je dit niet doet, proberen mensen toch via andere wegen aandacht op te eisen en gaan ze bijvoorbeeld tijdens de rondvraag een heel betoog houden.’

Trainingsprogramma
De leergang die deVoorde voor ondernemingen op locatie Den Alerdinck aanbiedt, bestaat uit zeven blokken van twee dagen. De opbouw van het programma is als volgt: de situatie, de individuele mens in de situatie en samen aan de slag met de situatie. In ieder blok staan inzicht, een instrument en een vaardigheid centraal.

De Dreu: ‘Je moet daar een jaar voor uittrekken en dit werkelijk aangaan. Het is nogal een foute gedachte dat men denkt dat een training verloren tijd is. Want wie rekent die andere post uit? Al die privé-sores die iemand heeft en dan tijdens een vergadering net doet of het allemaal okay is? Die persoon blijft toch met de frustratie zitten en dat kost een hoop productiviteit. Dit trainingsprogramma is niet één van de vluggertjes uit de Amerikaanse school. Het is een leerproces, dus er is een leervorm. Het gaat om een cultuuromslag binnen een bedrijf en daar gaan een paar jaar overheen. Dat doe je niet slechts in enkele maanden, dat weten managers zelf ook wel. ’t Leuke is, dat de verandering al intreedt vanaf de eerste dag. Want input-denken is iets heel anders dan output-denken. Leerprocessen beginnen bij vragen, niet bij de conclusies.’

Gepubliceerd in Europoort Kringen© Emmy Fons 

Wortelfratsen

Door Alice

Het is wonderlijk. Ik vertrouw het zaad aan de aarde toe. Na enige tijd verschijnt daar de beloning.

Een plantje. Dat wordt steeds groter. Uiteindelijk herken ik er iets eetbaars in.
De moestuin is een bron van voortdurende verwondering. Ik loop tussen de bonenstaken door en denk ‘hoe kom ik hier weer uit’. ’t Is maar een voorbeeld. Ik zeg vaak ‘kijk nou eens naar de wereld of je haar voor het eerst ziet. Ze toont de wonderlijkste vormen. In de moestuin gaat dat soms nog een stap verder. “Potverdomme, wat heb ik nou aan m’n fiets hangen”, hoorde ik onlangs een worteltje fluisteren. Ik wist toen nog niet waar dat op sloeg. Totdat ik ‘m zachtjes uit de aarde naar boven wurmde. Als ‘ie kan praten, kan ‘ie ook geoogst worden, hanteer ik als stelregel. Verward staarde het mij aan.

‘Wat een obsceen worteltje ben jij”, begroette ik hem.
‘Vind je?” reageerde hij beledigd.
‘Nou ja, het is iets van mensen. Raar volkje. Altijd maar direct alles etiketteren.’
‘Hier heb ik geen zin in. Stop me maar weer in de grond.’
‘Ben je besodemieterd. Ik vind je juist zo geinig.
‘Eet je me niet op, dan?’
‘Niet opeten? Ik lust je rauw!’

Ik vond de dialoog een beetje te lang duren. Er was nog veel werk te doen in de tuin. Op naar de courgettes. Hopelijk geen fratsen daar.

© 2010

Toch meer fratsen: een eendcourgette